JULI 2021

BOEKENREVUE: Ik ga leven

Lale-Gül-ik-ga-leven

Lale Gül zetelde op 29 juni in een panelgesprek over haar boek in het Geuzenhuis, samen met onderzoeksjournalist Hind Fraihi en columnist Pinar Akbas. De avond kan u herbekijken via het Youtubekanaal van het Geuzenhuis. Meer info vind u op de website.

   

JOHN COSSEMENT

‘Was ik maar met de stroom meegegaan, dan was me dit niet overkomen, dan was ik niet verworden tot een verschoppeling’, zo begint Lale Gül (1997) haar autobiografische roman Ik ga leven. Gül houdt echter haar snavel niet in haar pluimen en rekent genadeloos af met haar oerconservatieve Turks-islamitisch milieu, met een gemeenschap waarvan de religieuze bagage een rem op de integratie zet. Ze kreeg het verwijt ‘nestbevuiler’ naar het hoofd geslingerd en haar getuigenis kwam haar op uitsluiting, verstoting en zelfs doodsbedreigingen te staan.

 

 

review van het boek 'ik ga leven' door lale Gül

Büsra, het hoofdpersonage in Güls openhartige boek, groeit op in de Kolenkitbuurt, een achterstandswijk in Amsterdam. Ze ontpopt zich als een pientere en belezen jonge vrouw die meer en meer in opstand komt tegen de rigide religieuze regels van de orthodoxe islam. Gül weet meesterlijk de verbale en fysieke agressie en de beklemming binnen het gezin en de conservatief-islamitische geloofsgemeenschap op te roepen. Ze moet constant op eieren lopen – altijd loert de vrees voor het morele oordeel van een gemeenschapsgenoot om de hoek zodat zelfs een onschuldige profielfoto met haar neef op Whatsapp woedende reacties uitlokt – en steeds achtervolgen de strenge vestimentaire voorschriften van de conservatieve islam en het angstbeeld van het uithuwelijken haar. Ze fulmineert tegen de hoofddoek, die het lichaam van de vrouw objectiveert en seksualiseert, ook dat van jonge meisjes. De liefdesrelatie met haar Nederlandse vriend Freek, een blanke kaffer volgens haar gemeenschap, moet ze verborgen houden.

Haar ouders worden in de roman steevast ‘verwekkers’ genoemd; vooral Moeder, de poortwachter van de ongeschreven wetten van de Code der Turkse Conservatieven, moet het daarbij zwaar ontgelden: Gül noemt haar Karbonkel (een analfabeet monster uit een Nederlands jeugdprogramma) of allitererend ‘een zure zeverzak’, ‘een belligerente bloedhond’, ‘een Khomeini met een kut’. Vader is ondernemender en nuchterder dan de godvrezende moeder maar kan zich nooit ontworstelen aan zijn devote milieu.

Güls ouders hangen als Koranvaste moslims allerminst het kemalisme, de politieke ideologie van Atatürk, aan. Broer Halil zit in een spreidstand; geheel vrijgevochten en verlicht wordt hij niet omdat hij de voordelen van het hebben van een snikkel – zoals Gül het doorheen de roman verwoordt – kent.

 

Gül weet meesterlijk de verbale en fysieke agressie en de beklemming binnen het gezin en de conservatief-islamitische geloofsgemeenschap op te roepen

Nieuwsgaring gebeurt via de schotelantenne, die feitenvrije, melodramatische propaganda en regelrechte leugens in de Turks-Nederlandse woonkamers uitbraakt en bij de reactionaire kijker gretig aftrek vindt. Ook de Koranschool van de stichting Milli Görüş, verstard en pro-Erdoğan, wordt te kijk gezet als een instituut waar hypocrisie, ongerijmdheden, indoctrinatie en intellectuele mutilatie welig tieren. Dat maar liefst negenendertig procent van de Turkse Vlamingen in een bevraging van drie jaar geleden verklaarden dat het geloof boven de Belgische wetten staat, hoeft in dit opzicht niet te verbazen.

 

Woedend is de schrijfster ook op islamofascistische strekkingen in Turkije met een lange arm in Nederland en op de Nederlandse overheid die met subsidies orthodoxe en militante moslimorganisaties in stand houdt. Linkse partijen worden de mantel uitgeveegd (‘Religiekritiek zou een links stokpaardje moeten zijn’): de scene waarin een autochtone dame van de Nederlandse partij PvdA in de Koranschool naar de stem van reactionaire moslims hengelt is veelzeggend. Na het vertrek van de foldervrouw wordt de les in misogynie hervat: de man heeft het recht van God gekregen de vrouw een corrigerende tik te geven, zolang ze er geen gebroken ledematen aan overhoudt. Precies dit onzalige verbond tussen links politiek-correct denken en onverdraagzaam religieus radicalisme kaart Luckas Vander Taelen in zijn talrijke columns aan.

Als Vader zijn stemgedrag aan zijn dochter oplegt – stemmen op Tunahan Kuzu van DENK – reageert Gül furieus. Een bedenkelijke partij die zich maar al te graag wentelt in paranoia en (mohammedaans) slachtofferschap, te pas en te onpas de racismekaart bovenhaalt en zelf de polarisatie op de spits drijft, is ze verre van genegen.

   

Ronduit tragisch zijn de passages over haar zomervakanties die steeds in de geboortestreek van haar ouders worden doorgebracht. De geestdodende gesprekken met ontelbare familieleden zijn een hel voor de introverte jonge vrouw (‘Ik mis een sociaal gen’) De plaatselijke bevolking gaat gebukt onder verveling, seksuele frustratie, schrijnende armoede en door de talrijke neef-nichthuwelijken vallen de mensen met een fysieke of psychische afwijking er – in wat de schrijfster een genetisch afvoerputje noemt – niet meer te tellen. Elke zomervakantie snakt ze naar beschaving en kritisch denken.

De erudiete Gül steekt haar bewondering voor Nietzsche, de filosoof met de hamer, en voor godsloochenaar en libertijn Multatuli niet onder stoelen of banken: ze noemt de moederfiguur al eens Droogstoppel, een zelfingenomen, bekrompen karakter uit Max Havelaar, de imam wordt dan weer als imam Wavelaar (een wauwelaar, dus) betiteld, verwijzend naar dominee Wavelaar uit datzelfde meesterwerk van Douwes Dekker.

   

Ik ga leven is een pleidooi voor secularisering en voor beter onderwijs. Voor humor, individualiteit, nieuwsgierigheid, zelfontplooiing en levenskunst (‘Bij goede filosofie neemt zowel hoop als angst af, in tegenstelling tot theologie. En dat is een bevrijding’) Gül wil deuken in de Absolute Waarheid slaan en vaart uit tegen emotionele chantage, domheid, de orwelliaanse dynamiek van een rigide religie en de maagdelijkheidscultus. Als tegenzet tegen een bespottelijke seksuele moraal beschrijft Gül haar seksleven met Freek in enkele expliciete scenes.

Ze foetert tegen de zedenpredikers van een mensonterende ideologie en tegen de gesel van (links) cultuurrelativisme dat al met al populistische vreemdelingenhaat voedt en vice versa. Ook vriend Freek is met zijn cultuurchristen-conservatisme niet altijd een steunpilaar in haar strijd tegen onderwerping en obscurantisme en dus enigermate in hetzelfde bedje ziek.

 

Bij goede filosofie neemt zowel hoop als angst af, in tegenstelling tot theologie.

 Literair gezien is Ik ga leven zeker geen hoogvlieger. Enerzijds etaleert Gül in haar boek een aanzienlijke taalrijkdom (die al eens naar pronkzucht neigt), anderzijds verliest ze zich soms in puberaal, onelegant en gekunsteld taalgebruik. In het boek staan talrijke doordachte uitspraken die het optekenen waard zijn (‘Het leveren van kritiek is een kwestie van beschaving, en niet het opeisen van fatsoen. Fatsoen is voor kannibalen die satire bedrijvende mensen opeten met tafelmanieren’), maar soms komt Gül niet verder dan banale tegelwijsheid.

Het boek is opgedragen aan Oma (die als medestander Büsra/Gül een toevluchtsoord biedt) en aan haar jongere zusje Defne. Het meisje zit nu op de Koranschool en Gül hoopt dat ze aan de tentakels van dit centrum van onwetendheid en levensvijandigheid zal kunnen ontsnappen, in het besef dat hoop ‘meestal uitbesteding van de eigen verantwoordelijkheid is.’

   

 Hoed af voor Lale Gül want ze komt uit een milieu waar ze allerminst intellectueel gestimuleerd werd, uit een ultrareligieus systeem dat een angst- en doodscultus en een benauwend patriarchaat cultiveert en afkerig staat tegenover ongebreidelde lust for life. In interviews laat Gül weten dat ze van haar geloof is afgestapt, maar dat ze omwille van het gevaar voor haar leven aan zelfcensuur zal doen en niet meer over de islam zal schrijven.

‘Ware de vrouw (want het gaat om de vrouw en haar vrouwelijkheid) een ras geweest, dan was de ophef over de behandeling die haar ten deel zou vallen oorverdovend geweest.’, schreef auteur en doorwinterd islamcriticus, de betreurde Hafid Bouazza, in zijn vlammend pamflet De akker en de mantel. Zoals Franca Treur in Dorsvloer vol confetti over haar ontsnapping uit een enggeestig gereformeerd milieu verhaalde, demonstreert Lale Gül met Ik ga leven hoeveel lef het vraagt om van religie af te geraken en anderen daar deelgenoot van te maken, kortom, om een vranke vrijdenker te worden. Gemakzucht, lafheid en zelfgenoegzaamheid spelen in heel wat gevallen mee om je aan de banden van je gemeenschap (‘een soort oriëntaalse SGP’) en haar ingesleten, hinderlijke religieuze tradities te houden. Gül kiest voor de moeilijke weg, die van moed en zelfstandig denken. Darya Safai, Claire Koç, Fatima El Mourabit, Halima Boutahar, Ayaan Hirsi Ali, Assita Kanko, Zineb El Rhazoui, Chahdortt Djavann …: Lale Gül hoort nu thuis in dit rijtje moedige, mondige vrouwen.

 

Ik ga leven is een pleidooi voor secularisering en voor beter onderwijs 

Lale Gül, Ik ga leven, Prometheus, 2021, 304 pagina’s.

 
Wil je de papieren versie van De Geus thuis ontvangen? Klik hier voor meer informatie.