JANUARI 2021

Er is een lange ethische winter op komst

Vandaag moet worden gezocht naar een juridische inbedding van nieuwe samenlevingsmodellen.
© Gerbrich Reynaert

We beleven opnieuw een moment van versnelde maatschappelijke transitie. Belangrijke oude zekerheden die zich hebben gevormd rond het gezin, het huwelijk, de afstamming en de patriarchale premissen waarop ze berusten, worden op de proef gesteld. Mijn openingsrede gehouden voor de Vlaamse Conferentie bij de Gentse Balie op 27 oktober 2017 gaf ik de titel Liefde in tijden van nieuw-, anders- en hersamengestelde gezinnen.
 

VERONIQUE VAN ASCH

ER IS EEN LANGE, ETHISCHE WINTER OP KOMST

In de opbouw van een burgerlijke maatschappij hebben wij gedurende een goed deel van de negentiende en de twintigste eeuw een scherp gevecht meegemaakt tussen een klerikale en een antiklerikale visie op de maatschappij. De grote breuklijn kwam in de jaren 1960 wanneer om vele redenen een versneld secularisatieproces op gang kwam en de katholieke kerk haar dominante positie aan het verliezen was. Dit heeft toen veel mogelijk gemaakt in het ethische debat. Nu zijn we aan een nieuw keerpunt toe, ook omdat andere godsdiensten dan de katholieke een grotere rol beginnen te spelen. Daarom is in de vrijzinnig-humanistische wereld opnieuw waakzaamheid geboden, ook en vooral omdat op het biotechnische terrein geheel nieuwe innovaties de oude zekerheden op de proef stellen.

 

In de vrijzinnig-humanistische wereld is opnieuw waakzaamheid geboden

Het was die waakzaamheid die ik wou aanwakkeren met mijn opiniestuk in De Standaard van 12 september 2020. We zaten op dat ogenblik vol onzekerheden over de onderhandelingen om een zogenaamde ‘Vivaldi-regering’ op de been te brengen. Wat ik toen hoorde uit de mond van CD&V-voorzitter Coens wekte grote argwaan.
In de zo moeizame en tergend trage pogingen om een federale regering op de been te brengen is het democratisch legitiem dat de partners aan de onderhandelingstafels zo herkenbaar mogelijk hun programma in een regeringsverklaring willen terugzien. Veel bedenkelijker is het wanneer één van de onderhandelaars alle anderen verplicht om een thema bewust niet op te nemen en zo een muur op te trekken naar een vrij debat.
Zo leek het erop dat CD&V elk debat over ethische kwesties gesloten wou houden om zo te vermijden dat er inzake abortus en euthanasie nieuwe wettelijke regels zouden komen. Dit zou dubbel te betreuren zijn. Enerzijds is het Belgisch parlement in het recente verleden voortrekker geweest in Europa van hoogstaand debat over ethische kwesties. Anderzijds is hiermee ook een veel breder ethisch terrein open komen te liggen.

 

Het luik ‘ethische vooruitzichten’ in de regeringsverklaring is zo vaag dat mijn onrust en waakzaamheid niet getemperd zijn

Die regering is inmiddels op de been geraakt en er is ongetwijfeld nog steeds positieve hoop te rapen, toch blijft vooral het luik ‘ethische vooruitzichten’ in de regeringsverklaring zo vaag dat mijn onrust en waakzaamheid niet getemperd zijn. Het regeerakkoord waarmee de regering De Croo van start ging, telt 84 pagina’s. Op pagina 22 worden de ethische problemen op minder dan één pagina geformuleerd.
Zoals werd opgemerkt in een commentaarstuk op dit regeerakkoord in De Standaard lijkt het erop dat met deze tekst CD&V op beide oren mag slapen. Het hangende abortusvoorstel komt op de lange baan terecht, maar ik herhaal dat het om meer moet gaan dan abortus en euthanasie.
Hoe nodig het ook mag zijn dat voortschrijdend inzicht inzake abortus en euthanasie nieuw politiek debat vereist, nog belangrijker is het inzicht dat naast deze beide thema’s andere ethische kwesties evenzeer hoge nood hebben aan politiek debat en wetgevend werk.
 

NOOD AAN VRIJZINNIG-HUMANISTISCH TEGENGEWICHT

Daarom dus mijn inleidende stelling: we komen in een nieuwe, historische transitieperiode die kan uitlopen op een nieuw maatschappelijk gevecht dat mutatis mutandis verwant is aan het historische gevecht tussen de klerikale en de antiklerikale visie.
Immers, veel wetenschappelijke, technologische en maatschappelijke veranderingen hebben geleid tot een andere manier van samenleven. Adoptie door mensen van hetzelfde geslacht en het homohuwelijk zijn maatschappelijk aanvaard en werden juridisch meer verankerd. Ook afstamming heeft een andere dimensie gekregen.
Het is derhalve de hoogste tijd dat we de discussie verder opentrekken naar andere thema’s, zoals de volgende niet-uitputtende voorbeelden: de vraag of de anonimiteit van donoren moet behouden blijven, meerouderschap, adoptie, de verdere verfijning van de transgenderwet en het draagmoederschap.
Tegenover deze nieuwe maatschappelijke en wetenschappelijke mogelijkheden dreigt een feitelijke macht van ultraconservatieve denkstromingen te ontstaan.

 

Tegenover nieuwe maatschappelijke en wetenschappelijke mogelijkheden dreigt een feitelijke macht van ultraconservatieve denkstromingen te ontstaan

In de plaats van een ethische lente staan we misschien wel voor een lange, kille ethische winter waarin debatten die zich al jaren opdringen opnieuw voor lange tijd in een afgesloten kast gaan. Dit zou eens te meer een groot verlies zijn voor iedereen die mensen alle vrijheid wil gunnen om belangrijke beslissingen over hun leven te nemen. Daar moet een tegenwicht aan geboden worden en in die zoektocht zou de vrijzinnig-humanistische wereld prominent aanwezig moeten zijn.
De vroegste en sterkst voelbare verandering waren de nieuwe opvattingen over het huwelijk, dat tot het einde van de twintigste eeuw de exclusieve toegangspoort was tot een wettige familie.
De moederschapsideologie van het burgerlijk kerngezin dat lange tijd werd beschouwd als een ‘één-inkomen-gezin’ met een mannelijke pater familias en een echtgenote die de opvoeding van de kinderen verzorgde, heeft ondertussen plaats gemaakt voor totaal nieuwe maar zeker nog niet algemeen aanvaarde concepten.
Het begint bij nieuwe concepten over economische afhankelijkheid en daar komen we eerst bij het feminisme terecht. De derde feministische golf waar we ons nu nog in bevinden loopt precies samen met andere transitieverschijnselen waarover ik het reeds had. Ik ga proberen enkele juridische uitdagingen, tekorten en valkuilen van dit derde en nu lopende moment op een rijtje te zetten.
 

OUDERSCHAP

Ouderschap werd in de westerse samenleving op juridisch vlak sinds lang gekoppeld aan het huwelijk tussen twee ouders van een verschillend geslacht die het kind seksueel hadden voortgebracht of in een relatie die daar zoveel mogelijk op leek. Mede onder christelijke invloed werd er een afhankelijkheid gecreëerd tussen de moeder en de vader enerzijds en tussen moeder en kind anderzijds. Bij de geboorte van het kind was de moeder altijd zeker. Het vaderschap werd toegedekt met de mantel van het vermoeden en verankerd in het burgerlijk recht.
Vandaag, in de eenentwintigste eeuw, moet worden gezocht naar een juridische inbedding van nieuwe samenlevingsmodellen en hinkt de wet de wetenschap inzake afstamming achterna. Daarbij is het geslacht van de partners niet langer een beslissend of relevant element en wordt het begrip ‘gezinsleven’ alsmaar ruimer geïnterpreteerd. Loutere bloedverwantschap is niet langer voldoende en zelfs niet eens meer noodzakelijk.
Ondanks alle religieuze invloeden wordt het begrip ‘ouderschap’ op een steeds grotere, pluralistische wijze ingevuld. De familie ontstaat vaak niet meer door het huwelijk maar door de geboorte van een kind waarbij de mogelijke relatie tussen de ouders volledig buiten beschouwing blijft. Het kind is rechtstreeks verbonden aan volwassenen die met elkaar een verantwoord ouderschapsproject hebben, ook al zijn zij geen partners in de affectieve zin van het woord.
Veel aandacht gaat dus zowel bij ons als in het buitenland naar de hertekening van het ouderschap. Reeds in het federaal regeerakkoord van 2014 werd gewezen op de nood aan een modernisering van het familierecht, rekening houdend met de maatschappelijke ontwikkelingen en de nieuwe samenlevingsvormen. In de beleidsnota van de toenmalige Minister van Justitie werd dit verder verduidelijkt en werd een belofte gemaakt dat er een denkoefening zou worden gemaakt over de notie sociaal ouderschap. De Potpourri-wetten die op het kabinet van onze vorige minister van Justitie werden uitgewerkt hebben zeker de ambitieuze verwachtingen op dit punt niet kunnen inlossen.
Evenwel blijft de nood bestaan om na te denken over andere relaties dan de relatie tussen de ouders van het kind, maar die voor het kind evenzeer belangrijk zijn en die juridisch verankerd moeten worden. Indien een lesbisch koppel de bewuste keuze maakt om met behulp van een gekende donor een kind te verwekken, waarbij de donor een actieve rol wenst te spelen in de opvoeding van het kind, dan verdient de donor wettelijke bescherming.
Op de vraag of het meerouderschap de kans op conflicten niet eerder zal doen toenemen kan niet zo maar worden geantwoord, maar zeker is dat de invoering van een juridische regeling enkel de bevestiging is van wat zich in de dagelijkse realiteit afspeelt, waarbij de rol van de diverse partijen in het verhaal duidelijk dient te worden afgelijnd. De regeling zorgt voor rechtszekerheid en biedt een garantie op continuïteit in de opvoeding.
 

ADOPTIE

Zowel in het academische als in het publieke debat is interlandelijke adoptie regelmatig het onderwerp van polemiek. Aan de ene kant wordt adoptie voorgesteld als een humanitaire maatregel die zowel het ouderloos kind als kinderloze ouder(s) ten goede komt. Aan de andere kant beheersen stemmingmakende reportages met termen zoals kinderhandel al decennialang het persdebat.
In de nasleep van de Tweede Wereldoorlog en verschillende dekoloniseringsconflicten ontstond interlandelijke adoptie als een filantropisch project. Sinds de piekjaren aan het begin van deze eeuw lijkt interlandelijke adoptie op zijn retour, zelfs in die mate dat toonaangevende onderzoekers het einde van de interlandelijke adoptie aankondigen. Het leert ons hoezeer praktijken en opvattingen rond ouderschap en verwantschap in tijd en ruimte evolueren.
De twintigste eeuw wordt gekenmerkt door een geleidelijke uitbouw van de kinderrechten, maar ook door de groeiende verstrengeling van politiek, religie en kinderwelzijn. Europese kindertransporten en vakantiekolonies in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog ¬– of vroeger al in de Spaanse Burgeroorlog – en hoe die soelaas moesten bieden aan oorlogswezen en kinderen in zwaar getroffen gebieden, zijn het onderwerp geweest van veelvuldig historisch onderzoek. We leren eruit dat kinderopvang niet enkel door filantropische motieven maar ook door politieke ideeën en agenda’s vorm hebben gekregen.
De oorlogswezen brachten wél de ontwikkeling van het adoptie- en het pleegvoogdijsysteem in een stroomversnelling. Waar adoptie in de negentiende eeuw vooral werd aangewend om erfrechtelijke redenen, evolueerde de instelling onder druk van caritatieve organisaties naar een maatregel van jeugdbescherming waarbij evenwel de dagelijkse beslissingen van zorgverleners vooral werden geleid door traditionele en patriarchale opvattingen over moederschap en het kerngezin.
Het wetenschappelijk onderzoek over adoptie, dat voorheen vooral het werk was van psychologen, heeft de laatste jaren een eerder antropologische inslag gekregen, met meer aandacht voor hoe westerse concepten van ouderschap en verwantschap werden opgedrongen, waarbij raciale en koloniale denkkaders werden bestendigd.
De Belgische samenleving is daarenboven sinds lange tijd gekenmerkt door een hoge mate van privatisering en verzuiling van de zorgsector. De sterke positie van de middenveldorganisaties, in het bijzonder van de katholieke spelers, zijn het voorwerp van menig onderzoek naar de religieuze en missionaire wortels van het Belgische adoptielandschap.
Onrustwekkende berichten in de pers over dubieuze adoptiekanalen hebben aanleiding gegeven tot de installatie van een expertenpanel dat zich buigt over hoe interlandelijke adopties in het verleden tot stand zijn gekomen en of er daarbij al dan niet sprake is van schendingen van de rechten van het kind en de geboorteouders. Dit panel zal een advies trachten uit te brengen of interlandelijke adoptie al dan niet mogelijk moet blijven en in voorkomend geval onder welke vorm.
 
ENKELE BEDENKINGEN
Terwijl ik nog maar een deel van de adoptieproblematiek heb aangesneden besef ik dat er nog een veelvoud aan ethische thema’s in de kast is blijven liggen. Ik denk aan draagmoederschap, het al dan niet opheffen van anonimiteit van donoren, de verdere uitwerking van de transgenderwet en natuurlijk euthanasie en abortus. Ik wil deze onderwerpen graag in een volgende bijdrage aan bod laten komen. Ik sluit nu voorlopig af met enkele bedenkingen.
Vandaag is Louise Brown, de eerste proefbuisbaby, 42 jaar. De Britse vrouw mag dan vandaag een rustig leven leiden, als kind zette ze vier decennia geleden de wereld op zijn kop. Eerder in de jaren 70 had Nobelprijswinnaar James Watson, de ontdekker van de DNA-structuur, nog voorspeld dat ‘de hel zou losbarsten’ mocht er een mens in een proefbuis worden gemaakt.

 

De dag zal komen dat baarmoeders op een veilige manier kunnen worden getransplanteerd. Geef het nog enkele jaren en we kunnen gameten kweken uit huidcellen

De hel is niet losgebarsten maar onze vruchtbaarheid staat wel op zijn kop. De dag zal komen dat baarmoeders op een veilige manier kunnen worden getransplanteerd, zodat vrouwen zonder baarmoeder daarmee geholpen kunnen worden. Maar ook transvrouwen kunnen er dan ook van dromen een genetisch eigen kind op de wereld te zetten, als ze vooraf zaadcellen hebben laten invriezen. Bevallen kan via een keizersnede.
Geef het nog enkele jaren en we kunnen gameten (geslachtscellen, nvdr) kweken uit huidcellen. Voor de mens is dit nog niet voor morgen maar bij proefdieren is het wel al gelukt. Deze techniek is zo revolutionair dat vele onderwerpen waarnaar ik hiervoor heb verwezen mogelijk alle belang zullen verliezen.
De mens lijkt nergens zo maakbaar als bij de voortplanting. Velen zien die maakbaarheid van de mens als een toppunt van zelfontplooiing en zelfcreatie: de opperste vervulling van het humanistisch verlangen waarin het individu centraal staat en op ultieme wijze zijn lot in eigen handen neemt.
Nochtans, terwijl de wetenschappelijke en maatschappelijke evolutie zich doorzet, rijzen er vragen. Veel vragen, meer dan er antwoorden zijn.
Kiezen we bij de verwekking van kinderen door donorsperma voor het behoud van een wettelijk verankerde niet-opspoorbaarheid van de oorsprong van de kinderen? Een keuze die niet door rationele maar alleen door emotionele redenen wordt ingegeven?

 

Andere gezinnen zijn een realiteit geworden; ze behoren tot de diversiteit van onze samenleving

We kunnen ook verwijzen naar het voortschrijdend inzicht bij transpersonen. In Vlaanderen zijn er verschillende duizenden mensen die zich niet volledig man of volledig vrouw voelen. Moet de transgenderwetgeving ook rekening houden met de hele wereld tussen mannen en vrouwen in, of kunnen we bij de geboorte stoppen met het registreren van het geslacht?
De opvattingen over verwantschap zijn aan evolutie toe, maar het lijkt een werk van lange adem om te sleutelen aan onze definitie van een ‘gezin’ die nog steeds is geënt op een monogame, romantische, heteroseksuele partnerrelatie met genetisch eigen kinderen. Andere gezinnen zijn een realiteit geworden; ze behoren tot de diversiteit van onze samenleving. Andere gezinnen, ook andere kinderen.

 

 
Over de auteur 

Veronique Van Asch is advocaat aan de Balie te Gent en is voornamelijk actief in het insolventierecht en in het personen- en familierecht, met specifieke belangstelling voor het afstammingsrecht, adoptie en familierechterlijke problemen. Ze is verbonden aan het Adoptiecentrum en is lid van de Raad van Bestuur van vzw De Sloep en vzw School Simonnet.

 

Wil je de papieren versie van De Geus thuis ontvangen? klik hier voor meer informatie.