APRIL 2020

Duiding bij het euthanasieproces


(c) Jimmy Kets
   

Het recente assisenproces omtrent de euthanasie van Tine Nys gaf aanleiding tot maatschappelijke en politieke discussies over de euthanasiewet. In deze bijdrage willen we bij enkele aspecten die ter discussie stonden, verduidelijking geven aan de hand van onderzoeksresultaten van meer dan twintig jaar onderzoek naar levenseindezorg en de euthanasiepraktijk van de onderzoeksgroep Zorg rond het Levenseinde (VUB en UGent).
 

SIGRID DIERICKX & JOACHIM COHEN


   

WAT ZEGT DE EUTHANASIEWET OVER DE VOORWAARDEN VOOR MENSEN MET PSYCHIATRISCHE AANDOENINGEN EN ENKEL PSYCHISCH LIJDEN?

Deze komen in aanmerking als ze meerderjarig en handelingsbekwaam zijn, het verzoek vrijwillig, herhaald en weloverwogen is en ze een ernstige, ongeneeslijke (psychiatrische) aandoening hebben die resulteert in een medisch uitzichtloze toestand van aanhoudend en ondraaglijk psychisch (of fysiek) lijden. Omdat het overlijden in principe niet binnen afzienbare termijn wordt verwacht moet minstens één maand verlopen tussen het schriftelijk verzoek en de uitvoering van de euthanasie, en er moet een derde arts (een psychiater) geraadpleegd worden.

HOEVEEL GEVALLEN VAN EUTHANASIE BIJ PERSONEN ZOALS TINE NYS ZIJN ER UITGEVOERD SINDS DE WET?

Tussen 2002 en 2013 werden 117 euthanasietoepassingen bij personen met een psychiatrische aandoening gemeld aan de Federale Controle- en Evaluatiecommissie Euthanasie (FCEE). In acht op de tien gevallen ging het om personen met een stemmingsstoornis (depressieve stoornis of bipolaire stoornis), soms in combinatie met een andere psychiatrische aandoening. In één op vijf gevallen leed de patiënt aan een andere psychiatrische aandoening dan een stemmingsstoornis, voornamelijk autisme, borderline persoonlijkheidsstoornis of anorexia nervosa.

Het aandeel van euthanasie bij personen met een psychiatrische aandoening steeg van 0,3% van alle gemelde euthanasiegevallen van 2002 t.e.m. 2007 naar 2,2% in 2013. Er is dus een stijgende trend, maar het aantal gevallen blijft laag in verhouding tot het totale aantal euthanasietoepassingen die meestal betrekking hebben op personen met een terminale, somatische aandoening zoals kanker.

Het aandeel van euthanasie bij personen met een psychiatrische aandoening blijft laag in verhouding tot het totale aantal euthanasietoepassingen

WAT IS DE ROL VAN DE EERSTE, TWEEDE EN DERDE ARTS EN HET CRITERIUM VAN ‘ONAFHANKELIJKHEID’ VAN DIE ARTSEN?

Eén van de discussiepunten in het assisenproces was dat de LEIF-arts – die tweede (adviserende) arts was – de rol van de huisarts overnam als eerste (behandelende) arts. Het overnemen van de rol van eerste arts door de tweede arts komt frequent voor. In een onderzoek uit 2008 bij LEIF-artsen bleek dat in 27% van de gevallen de adviserende LEIF-arts hielp bij de uitvoering van de euthanasie; en in 24% nam deze de uitvoering over en draaiden de rollen om. Dit laatste is op zich niet zo vreemd. Soms zijn er artsen die hun patiënt willen helpen maar weigeren om de euthanasie zelf uit te voeren, bijvoorbeeld om psychologische redenen. SCEN-artsen, de Nederlandse tegenhangers van LEIF-artsen, nemen de uitvoering van euthanasie in principe niet over. Hun taak beperkt zich tot het informeren en adviseren van de behandelende arts. Een mogelijke optie is dat, indien de adviserende LEIF-arts uitvoerende arts wordt, er een extra adviserende arts bij de procedure betrokken wordt.

 

Uit een representatieve bevraging van Belgische artsen in 2009 blijkt dat de tweede arts bij een euthanasie vaak een collega is van de behandelende arts of de patiënt reeds kende voor het euthanasieverzoek

Er werden ook vragen gesteld bij de onafhankelijkheid van de derde arts. Hoewel de wet stelt dat een adviserende arts onafhankelijk moet zijn van zowel de patiënt als de behandelende arts is het niet duidelijk wat deze onafhankelijkheid precies inhoudt. Uit een representatieve bevraging van Belgische artsen in 2009 blijkt dat de tweede arts bij een euthanasie vaak een collega is van de behandelende arts (58%) of de patiënt reeds kende voor het euthanasieverzoek (40%). Ook hier lijkt de situatie bij Tine Nys dus geen uitzondering.

Er was ook verwarring over het advies van de huisarts van Tine Nys. Het inwinnen van advies over de euthanasievraag van twee extra artsen bij dit soort gevallen is ingeschreven in de euthanasiewet als een controlemaatregel. De wet stelt echter niet duidelijk dat de behandelende arts gevolg moet geven aan het oordeel van de tweede en derde arts. Dit betekent, vreemd genoeg, dat zelfs indien één van de adviserende artsen van oordeel is dat de patiënt niet in aanmerking komt voor euthanasie, de behandelende arts het verzoek tot euthanasie kan inwilligen. Ook in Nederland is het advies van de adviserende arts niet bindend, maar de behandelende arts moet wel motiveren waarom geen rekening gehouden werd met een negatief oordeel.

Zelfs indien één van de adviserende artsen van oordeel is dat de patiënt niet in aanmerking komt voor euthanasie, kan de behandelende arts het verzoek tot euthanasie inwilligen

DE MELDINGSPROCEDURE

Volgens de FCEE was in de casus van Tine Nys aan alle voorwaarden voor euthanasie voldaan. De familie was echter van mening dat dit niet het geval was en legde klacht neer tegen de artsen. De Gentse kamer van inbeschuldigingstelling besliste dat er voldoende aanwijzingen waren dat de voorwaarden niet nageleefd werden.
Dit brengt ons tot de vraag of het registratieformulier voor het melden van een euthanasie aan de FCEE voldoende informatie verschaft om te kunnen beoordelen of aan alle voorwaarden werd voldaan. Het formulier bevat bijvoorbeeld geen vragen die specifiek peilen naar welke behandelopties besproken zijn met de patiënt en/of aangewend zijn en of er complicaties waren tijdens de procedure of de uitvoering van de euthanasie. Dit zijn echter relevante elementen in de beoordeling of de euthanasie al dan niet in overeenstemming was met de wettelijke vereisten. Er wordt ook enkel van de meldende arts gevraagd een samenvatting van het advies van de tweede arts te vermelden in het formulier. In Nederland daarentegen moet het volledige verslag van de adviserende arts toegevoegd worden.

KWALITEIT VAN UITVOERING

Er was ook kritiek op de uitvoering van de euthanasie bij Tine Nys. Wat betreft de kwaliteit van de uitvoering van de euthanasie zijn er geen instructies vastgelegd in de euthanasiewet. Het staat artsen die euthanasie uitvoeren ook vrij om al dan niet de LEIF-opleiding te volgen en is er geen vast opgelegd aantal modules van de opleiding die moeten gevolgd worden om zichzelf LEIF-arts te mogen noemen. In Nederland is de opleiding tot SCEN-arts strikter en is het uitvoeren van de euthanasie op een medisch zorgvuldige manier één van de zorgvuldigheidscriteria in de wet, dit wil zeggen met de juiste medicijnen en volgens de correcte procedure. Ook hier zijn dus mogelijkheden voor verbetering van de wet en haar implementatie.

Wat betreft de kwaliteit van de uitvoering van de euthanasie zijn er geen instructies vastgelegd in de euthanasiewet

Het euthanasieproces toont aan hoe moeilijk een euthanasieprocedure en de uitvoering ervan kan zijn voor de naasten. Een meer uitgebreide training van artsen is daarom wenselijk, met (nog) meer aandacht voor communicatie met familie en de goede uitvoering van euthanasie.

STRAFMAAT

Gezien er geen strafmaat bepaald is voor onzorgvuldige uitvoering van euthanasie stonden de artsen terecht voor moord. In Nederland zijn hiervoor echter wel specifieke (mildere) sancties bepaald. Het euthanasieproces toont aan dat de afwezigheid van een strafmaat een belangrijke lacune is in de huidige wetgeving. Mogelijk geeft het proces aanleiding tot een wetswijziging waarbij specifieke strafbepalingen worden toegevoegd voor onzorgvuldige uitvoering.

Mogelijk geeft het proces aanleiding tot een wetswijziging waarbij specifieke strafbepalingen worden toegevoegd voor onzorgvuldige uitvoering

ROEP OM EVALUATIE

Vanuit politieke hoek werd naar aanleiding van de assisenzaak geroepen om een grondige evaluatie van de euthanasiewet. Het is echter verkeerd te stellen dat er geen evaluatie van de euthanasiewet gebeurde. Op eigen initiatief deed onze onderzoeksgroep in Vlaanderen sinds 2002 reeds twee grootschalige studies van de euthanasiepraktijk, bestudeerde ze de meldingsproblematiek, de werking van de LEIF-artsen en de adviserende artsen, de kwaliteit van de implementatie van de wet, de vertaling van de wet in instellingsbeleid, et cetera.
Als onderzoekers zijn we reeds lang vragende partij voor een herhaaldelijke evaluatie van de euthanasiewet zoals die in Nederland gebeurt. Op vraag (en financiering) van de Nederlandse overheid wordt de euthanasiewet er elke vijf jaar uitgebreid geëvalueerd door een interuniversitair en interdisciplinair consortium – momenteel start de vierde evaluatie. Tot nu toe kreeg deze oproep geen gehoor bij de overheid. Daarom stellen we voor dat de overheid formeel opdracht tot evaluatie geeft aan een interuniversitair en pluralistische consortium van onderzoekers.

Als onderzoekers zijn we reeds lang vragende partij voor een herhaaldelijke evaluatie van de euthanasiewet zoals die in Nederland gebeurt. Tot nu toe kreeg deze oproep geen gehoor bij de overheid

CONCLUSIE

Veel van de problemen rondom de interpretatie van de euthanasiewet die aan bod kwamen tijdens het proces werden reeds aangekaart of geïllustreerd in onderzoek. Wat dat betreft lijken er in deze zaak inhoudelijk weinig unieke precedenten. Mogelijk kan het euthanasieproces een katalysator worden voor een grondige evaluatie en verduidelijking van de wet.

 
 

Over de auteurs

Dr. Sigrid Dierickx (socioloog en postdoctoraal onderzoeker) en prof.dr. Joachim Cohen (medisch socioloog en docent) zijn beide verbonden aan de onderzoeksgroep ‘Zorg rond het Levenseinde’ van de Vrije Universiteit Brussel en de Universiteit Gent.

 
Wil je de papieren versie van De Geus thuis ontvangen? klik hier voor meer informatie.