JANUARI 2020

De oplossing voor de vergrijzing is de vergrijzing



© Gerbrich Reynaert
   

Prof. Dr. Verté (VUB) doet al een academische carrière lang onderzoek naar de veroudering van de bevolking. In de vakgroep agogiek is hij de expert gerontologie die zowat overal in België gevraagd wordt om over het thema lezingen te geven. Hij staat erom bekend geen blad voor zijn mond te nemen, de moeilijke thema’s niet uit de weg te gaan en niet meewarig te doen over de kleine cultuur. Die van koffie drinken en bingo spelen op warme of koude middagen in het plaatselijk dienstencentrum. Hangouderen die gevaarlijk samenscholen in de buurt van een zitbank, hebben zijn sympathie. De verouderende mens is zijn vriend. Vanuit het perspectief van een vijfenzestigplusser de organisatie van de samenleving bestuderen levert duidelijke aanbevelingen op. Dat is Verté bij uitstek: een oplossingsgericht, vrijzinnig consulent van al wie voorbij de jeugd en de middelbare leeftijd naar ouderdom en een ouder wordende populatie durft te kijken.

 

Dominique Verté


   
 
Jean-Pierre Vanhee
   

Uit demografische, economische en biologische trends kan worden afgeleid dat de samenleving zich dringend moet voorbereiden op de vergrijzing. De levensverwachting blijft elk jaar met iets minder dan drie maanden stijgen. Kinderen die nu geboren worden lopen een ernstig risico om honderd jaar en ouder te worden. In 2060 zijn er drie keer zoveel tachtigers als vandaag. Anderzijds blijft ook de gezinsverdunning aanhouden. Het aantal een- en tweepersoonshuishoudens neemt toe, terwijl 82% van de ondersteuning en zorg voor ouderen door mantelzorgers geboden wordt. Nu al worden 5 tot 15% van de ouderen die hulp nodig hebben niet bereikt. Mensen willen graag oud worden in hun eigen huis – aging in place heet dat – maar ongeveer 42% van de Belgische woningen is niet aangepast aan mensen met gezondheidsproblemen of verminderde beweeglijkheid. Het inwonen van de ouders en grootouders dateert in onze contreien uit het begin van de vorige eeuw. Slechts 4% van de bevolking voelt zich daartoe aangetrokken. Om de probleemschets nog wat op te vrolijken: de financiële middelen voor de zorg en de ondersteuning zijn op. Dominique Verté waarschuwt al jaren voor de talrijke problemen waar het Westen over enkele decennia mee te kampen zal hebben. Maar hij is een realist. Hij ziet tal van mogelijkheden om ons daar goed en dus beter dan vandaag op voor te bereiden. Het feit dat hij de laatste maanden al verschillende keren werd geïnterviewd, bewijst overigens dat het probleembesef toeneemt. 

VERBONDENHEID

Lokalisering, lokalisering en nog eens lokalisering. U verwacht daar nogal wat van. Waarom eigenlijk?
Het verlangen van ouder wordende mensen is duidelijk. Ze hebben ergens hun roots en willen daar zo lang mogelijk en in relatieve onafhankelijkheid oud worden. Die onafhankelijkheid is essentieel. Mensen blijken zo lang mogelijk de regie over hun eigen leven te willen voeren. Ze willen zelf beslissen hoe en met wie ze hun tijd willen doorbrengen. Maar door het feit dat hun mobiliteitscirkel steeds maar inkrimpt, tot enkele honderden meters, moeten ze wel in de mogelijkheid zijn om hun leven zo dicht mogelijk bij waar ze wonen in te richten.
Daar zijn ze deels zelf verantwoordelijk voor, al was het maar door in een geschikte en van diensten en winkels voorziene buurt te gaan wonen. Maar die buurt draagt een grotere verantwoordelijkheid dan doorgaans gedacht wordt. Met een boutade, we moeten wat meer zorg dragen voor elkaar. Het gaat over meer dan boodschappen doen voor elkaar. Elkaar aanspreken en begroeten, notie nemen van je buren en spontaan informatie over je buurt en de stad of gemeente met elkaar uitwisselen. Veel ontmoetingsplaatsen creëren, banken in de straat, activiteiten in dienstencentra maar ook daarbuiten en vooral: een verscheidenheid aan buurtprojecten opzetten. Kunstenaars en muzikanten aanzoeken om projecten met bewoners uit te voeren. Gent heeft daar een heel stevige traditie in en doet dat ook heel goed. De mogelijkheden zijn legio en de kosten beperkt. 

De lokaliteit herdenken?
Precies! Leeftijdsgrenzen, socio-economische verschillen en cultureel onderscheid vervagen door gewone contacten. De eerste stap is misschien de moeilijkste. Maar van een begroeting op straat komt small talk op de rommel- of bloemenmarkt. Uiteindelijk worden boeken of CD’s en DVD’s, adressen en linken naar interessante websites uitgewisseld. Mensen connecteren eigenlijk heel gemakkelijk en creëren aldus weak ties, zwakke verbanden waaruit op hogere leeftijd diepe vriendschappen kunnen groeien.
Die onderlinge connecties maken dat mensen van elkaar afhankelijk worden op een niet-economische manier. Ze doen beroep op elkaar maar behouden zelf wel de regie over hun leven. De overheid kan deze processen faciliteren maar mag ze geenszins professionaliseren. Vermaatschappelijking betekent hier juist bottom-up, betekenisverlenende verbindingen maken die mensen een levensveiligheid bieden. Een community building flow, komt pas op gang als daar allerlei impulsen toe gegeven worden door organisaties als dienstencentra, scholen, bibliotheken en culturele kringen, maar vraagt niet om een generieke aanpak vanuit de stad of de gemeente. Laisser faire is de boodschap. Waar hoor je die vandaag nog? 

Veronderstelt dat niet dat organisaties zich openen voor de buurt of de wijk?
Ik vraag mij al jaren af waarom bejaardenhomes hun infrastructuur en services zoals de cafetaria en turnzaal niet meer toegankelijk maken voor de buurt. Zowel het woonzorgdecreet als de regelgeving op de dienstencentra voorzien in outreachend werken. Toch lijkt dat lang niet overal het geval te zijn. De sociale verkaveling van diensten en functies verhindert ons om overal connectiepunten te creëren. Iedere dienst heeft zijn functie en daar blijft het bij. Waarom bieden niet meer woonzorgcentra ambulante activiteiten aan mensen uit de buurt aan? ‘Ik werk hier alleen maar mijnheer!’ Er zijn nochtans veel voorbeelden dat het anders kan. Apothekers en wijkagenten die allerlei administratieve klussen doen voor mensen. Postbodes mogen dat niet meer. Waarom niet eigenlijk? OCMW’s hebben de opdracht een sociaal huis in te richten. Dat hoeft niet op het adres van het OCMW zelf te zijn en het mag ook van plaats veranderen. Een nomadisch OCMW zou toch in alle wijken en buurten van de stad of gemeente initiatieven kunnen nemen? Een mentaliteitswijziging dringt zich op. We moeten veel meer sociaal crocheren!

HET VERLIES VAN EEN PARTNER

Daarmee raakt u ook aan het probleem van de isolering, vervreemding en vereenzaming van ouderen.
Naast gezondheids- en mobiliteitsproblemen is eenzaamheid een groot probleem. Ik denk daarbij niet alleen aan sociale eenzaamheid. Het feit weinig contacten te hebben of afgesloten te zijn van allerlei voorzieningen en winkels, vraagt natuurlijk ook om aandacht. Maar ik wil het vooral hebben over emotionele eenzaamheid, over het gebrek aan intieme relaties met een partner, aan fijne momenten met goede vrienden. Mensen die hun levensgezel verliezen kunnen daar heel hard door getroffen worden. Heel wat koppels leven lang en gelukkig (maar soms) in een sociaal-maatschappelijke bubbel. Wanneer een van beide sterft, duurt het gemiddeld drie jaar voor de partner zelfs nog maar openstaat voor contacten met nieuwe mensen. Tenzij het koppel via familie, kennissen, vrijwilligerswerk of sociale engagementen deel uitmaakte van een netwerk, vervreemdt die partner van zijn omgeving. Nochtans blijkt uit de literatuur dat jarenlange oppervlakkige contacten op een bepaald moment kunnen omslaan in heuse vriendschappen. Het is heel verrassend wat mensen aan elkaar hebben of wat ze voor elkaar kunnen betekenen op verschillende momenten in hun leven. Ze veranderen mee met de omstandigheden, de leeftijd, de context en de wijziging van hun eigen behoeften. In nood kent men zijn vrienden maar in nood maakt men ook vrienden. Deze processen worden op gang gebracht door het vertellen van levensverhalen. Het relaas van een leven helpt mensen om hun (voor)oordelen ten opzichte van elkaar bij te stellen of zelfs helemaal op te heffen. Verhalen verbinden. Ze verscherpen de aandacht voor elkaar. Ze empathiseren. 

U zweert dus niet bij het Zwitsers levensgevoel en het imago van de bruingebrande, vitale grootouders die op de Canarische eilanden het ultieme levensgenot zoeken of zelfs gevonden hebben?
Ik stoor mij mateloos aan de negatieve duiding van de ‘vergrijsde populatie’. De magazinebeelden waar u naar verwijst versterken de negatieve connotatie van veroudering. Het is geweten dat mensen niet graag aan de dood en aan aftakeling denken, maar hoeveel mensen zijn op hoge leeftijd nog voor zo’n opsmukkende glanscamera te vangen? Nog niet zolang geleden lag de reële pensioenleeftijd iets boven de vijftig jaar. Veel vijftigplussers kregen de boodschap dat ze baan moesten ruimen voor jongeren. Hun kennis en inzichten leken plots waardeloos. Dat is overigens het ergste wat iemand kan overkomen.
Niet meer aangesproken worden op je levenslange verworven vaardigheden. Afgedankt worden. Het illustreert hoe de samenleving haar eigen beeld van verouderende mensen en hun plaats in de samenleving construeert. Nu is er omgekeerd geen ruimte meer voor de vaststelling dat sommige mensen ‘kromgewerkt’ en uitgeput zijn op hun zestigste en daarom intens verlangen naar hun pensioen. Alleszins hebben wij een heel moeilijke relatie tot het ouder worden. Ouderdom wordt zelden in z’n existentiële hardheid positief benaderd. Gelukkig wordt het verouderingsproces niet alleen gekenmerkt door afname, vermindering, inkrimping en aftakeling van de fysieke en mentale mogelijkheden. Als wetenschapper hanteer ik een soort formule die op veel vaardigheden van toepassing is: selectie, optimalisatie en compensatie. Stel je een muzikant voor die wegens verstramming niet langer meer dezelfde lees- en vingervlugheid heeft als veertig jaar geleden maar toch wil blijven spelen. Hij zal zijn repertorium verkleinen, meer oefenen op de moeilijke passages en minder snel spelen. Hij past zich aan. Het veranderingsproces van de ouderdom is daarom interessant om te bestuderen. Het hoeft helemaal niet in de schaduw van de dood geplaatst te worden, zonder evenwel het eindpunt van die laatste levensfasen uit het oog te verliezen.

SMALL IS BEAUTIFUL


Dat druist toch in tegen de filosofische formule van Heidegger ‘Das Sein zum Tode'? De dood geeft alle zin aan het leven?
Ik zou graag een filosofisch onderzoek naar betekenis- en zingeving bij oudere mensen opzetten. Wat motiveert hen, wat geeft hen levenszin in hun individuele contexten? Met wat en hoe verrijken ze hun leefwereld? Als gerontoagoog ben ik heel erg benieuwd naar de realiteit van de mensen zelf. Ik ben ervan overtuigd dat veel verouderende mensen hun vergrijzing zelf bijkleuren. Dat ze zelf oplossingen bedenken voor wat hen belemmert te leven. Ook dat blijkt uit onderzoek. De samenleving, de maatschappelijke structuren, de omgang met oudere mensen, de bepampering en bevoogding belemmeren oudere mensen vaak om met zin te leven. We zien veel afbeeldingen van gelukkige grootouders met hun kleinkinderen.
Waarom gaan we daar niet veel verder in? Aanwezigheid van grootouders op scholen zodat kleinkinderen hun grootouders met iPads kunnen leren omgaan of spelletjes zoals FIFA kunnen aanleren? Bompa leert digitaal shotten? De digitalisering van de communicatie biedt heel wat mogelijkheden voor de opvolging van de levensomstandigheden en monitoring van de gezondheid van mensen. Medische telecommunicatie waarbij de therapietrouw van mensen – nemen ze op tijd hun medicatie, doen ze op tijd hun lichaamsoefeningen – kan gestimuleerd worden. Er zijn voorbeelden bekend van beveiligde vriendengroepen op Facebook waardoor heel veel informatie tussen minder mobiele mensen wordt uitgewisseld. Het komt erop aan om met alle mogelijke middelen een breed gamma van informatie-uitwisseling te realiseren. Leesgroepen bespreken hun leeservaringen en delen boektitels uit. In de breigroep worden patronen besproken. Wie nog een goed oud recept heeft, kan dat delen met anderen. Als lid van de vakgroep sociale agogiek moet ik er ook op wijzen dat de digitale geletterdheid of het digitaal analfabetisme voornamelijk sociaal- economisch bepaald wordt. Overheden zouden minder begoede ouderen een iPad kunnen aanbieden. Dat zou hen overigens ook toelaten de ouder wordende populatie te screenen op hun behoefte en nood aan ondersteuning en hulp. Aan de hand van tien eenvoudige vragen over voeding, slaap, dagbesteding en hun algemeen welbevinden kunnen lokale besturen achterhalen wie ze moeten bezoeken en opvolgen. Dat wijst op de benutting van artificiële intelligentie. Men moet ze wel durven aanwenden en dus niet meegaan in de ongefundeerde afwijzing van hedendaagse (digitale) tools. Hoe weten de verantwoordelijken voor het welbevinden van de inwoners van een stad als Oostende waar de helft van de bevolking ouder is dan zestig, wie ze dagelijks moeten opvolgen en helpen? Small is beautiful. Sommige oplossingen voor het detecteren van problemen als eenzaamheid, depressie, gebrek aan zingeving en een wegdeemsterend welbevinden, zijn heel eenvoudig en uiterst betaalbaar. 

Daar raakt u toch een gevoelig punt. Is dit alles wel betaalbaar?
De Europese Unie berekende dat, in vergelijking tot 2010, België tegen het jaar 2060 financieel meer dan het dubbele zal moeten inzetten voor de ouder wordende populatie. Van 2,3 procent naar 5,3 procent van het bruto binnenlands product. Het is zeer onwaarschijnlijk dat die verhoging gerealiseerd wordt. We zullen dus meer moeten doen voor veel meer mensen met proportioneel gezien minder financiële overheidsmiddelen.
De private markt heeft dit heel goed begrepen. Ouder worden zal daarom veel duurder worden. Het zal ook veel meer mensen aanzetten tot het verkopen van hun eigen woning. Tegelijk moeten we inventiever zijn en met eenvoudige interventies op basis van burgerlijke en buurtgerichte solidariteit elkaar ondersteunen in die bijzondere periode van het leven. We zijn aangewezen op een mix van maatregelen die een shift in het samenleven zal veroorzaken. Speerpunten zijn: decentralisatie van bevoegdheden, op grote schaal organiseren van buurt- en wijkgerichte initiatieven, gecombineerd met nieuwe regelgeving voor de woningenbouw, een betere maatschappelijke benutting van de vaardigheden van oudere mensen en het verlangzamen van het samenleven.


DOMINIQUE VERTÉ
- is doctor in de medisch-sociale wetenschappen, richting sociale gerontologie
- professor aan de VUB in de opleiding Agogische Wetenschappen, gespecialiseerd in sociale gerontologie, seniorenbehoeften en vergrijzing. Kortom: bejaardenbeleid
- verricht onderzoek naar onder meer de politieke en sociale participatie van ouderen, vrijwilligerswerk, buurtontwikkeling, huisvesting, kwaliteit van de zorg, kwetsbaarheid, mobiliteit, ouderenmishandeling
- was voorzitter van het Vermeylenfonds van 2006 tot 2012
 

 
Wil je de papieren versie van De Geus thuis ontvangen? klik hier voor meer informatie.