JANUARI 2020

FILOSOOF OVER FILOSOOF


© Merlijn Doomernik
   

Filosoferen als dagdagelijkse interventie


KENNISMAKING MET HET DENKEN VAN EVA MEIJER

Eva Meijer (°1980) is veelzijdig. Ze tekent, zingt, brengt performances, schrijft romans én intrigerende filosofische essays.  

 

FILOSOOF OVER FILOSOOF


Jean-Pierre Vanhee
   
Haar laatste boek De grenzen van mijn taal (2019) met als ondertitel Een klein filosofisch onderzoek naar depressie, is bijzonder actueel. Steeds meer kinderen en volwassenen kampen immers met depressies. Haar boek Dierentalen (2016) is een studie over de taal van niet-menselijke wezens. Het is de voorloper van het essay De soldaat was een dolfijn (2017) dat handelt over politieke dieren en dat een bijdrage levert aan het debat over de vraag waarom wij mensen menen over het lot van andere dieren te kunnen beschikken. Een vraag die meer en meer gesteld wordt. Haar filosofisch werk betreft zo actuele problemen en vraagstellingen. Het is bovendien bijzonder vlot en toegankelijk geschreven waardoor het een breed publiek kan aanspreken. Het bekritiseert tevens ingebakken oordelen en gewoontes die onveranderlijk lijken.
  
Wat zijn de belangrijkste troeven van haar denkwerk? Vooreerst zijn er de al genoemde leesbaarheid en de actualiteitswaarde van de stellingen die ze uitwerkt. Hoewel ze heel wat filosofen raadpleegt en citeert, gebruikt ze zelden moeilijke of ongekende begrippen. In die alledaagse taal schrijft ze over thema’s die niet banaal zijn.

Neem haar werk over de taal van dieren. Dieren spreken niet in een taal zoals die van mensen maar drukken zich doorgaans tegenover de leden van hun eigen soort – en die van anderen – wel uit op een genuanceerde en complexe manier. Eva Meijer beschrijft inzichtelijk hoe het strikte onderscheid dat we meestal maken tussen de taal van dieren en de taal van mensen, wankelt. Dat onderscheid is bovendien mee verantwoordelijk voor de bestaande machtsverhoudingen. De bijna algehele uitsluiting van niet-menselijke dieren van de democratische besluitvorming, getuigt van een mateloze arrogantie van de menselijke soort. Het kan nochtans anders. Mensen die zelf dieren houden, weten dat. Ze nemen allerlei signalen van dieren waar en kunnen ze ook interpreteren. Proefondervindelijk werd aangetoond dat we ook via symbolen of machines met dieren kunnen communiceren. De wijze waarop boeren melkmachines gebruiken, is hier een voorbeeld van. Ze stellen de werking van hun machines zolang bij tot de koeien geen tekenen van ongemak meer geven. Meijer ziet dit als een voorbeeld van gedeelde besluitvorming en deliberatie tussen mens en dier.

Soms dient de dialoog op kleine schaal gevoerd te worden, soms is het aangewezen meerdere vertegenwoordigers van een soort samen te brengen. Dat gebeurde in Nederland naar aanleiding van de overlast die de grote populatie van grauwe ganzen veroorzaakte, nadat deze soort eerder van uitsterving gered werd. De ganzen hebben toen samen met kunstenaars, biologen, politici, landschapsarchitecten en filosofen gedelibereerd over een betere manier van samen-leven: ‘Waar dat eindigt staat niet vast, maar het begint met elkaar anders bekijken. We zijn allemaal nieuwsgierige dieren; samen moeten we tot betere oplossingen kunnen komen.’ Hoe het gebruik van verschillende vormen van taal tot zulke betere oplossingen kunnen bijdragen, is een belangrijk aspect van Meijer haar filosofisch engagement.

Ook in haar essay over depressiviteit onderzoekt Eva Meijer de taal. Het praten, denken en schrijven over depressie is een wezenlijk onderdeel van haar eigen omgang met depressie. Sinds haar vroege tienerjaren werd ze er immers zelf mee geconfronteerd. Het is niet haar bedoeling haar depressies uitgebreid of op een originele manier te beschrijven. Veeleer onderneemt ze pogingen zich via de inzet van taal haar depressies toe te eigenen. Ze observeert zichzelf, kiest haar eigen woorden, beelden en concepten om erover te praten en te schrijven. Daarbij wijst ze begrippen en metaforen die vaak gebruikt worden om een depressie te beschrijven, uitdrukkelijk af. ‘Ik heb altijd een aversie gevoeld tegen depressies vergelijken met monsters, demonen of beesten (en zeker honden, want wat kunnen die eraan doen?), en ook tegen metaforen met de kleur zwart. Deels omdat die beeldspraken zulke clichés zijn, deels omdat ik depressies eerder als afwezigheid zie dan als aanwezigheid.’

Eva Meijer gaat vooral op zoek naar metaforen die haar toelaten om zichzelf met en in de depressie te bepalen. Hoewel depressies mensen als per toeval treffen, zijn ze er niet totaal willoos aan overgeleverd. Zelf probeert Eva Meijer haar depressies het hoofd te bieden door ze op haar manier en met haar beeldspraak in kaart te brengen. ‘Stel je voor dat je in je lichaam een zee meedraagt. Bij elke stap beweegt die, net genoeg om te voelen dat je uit water bestaat. Je weet dat het water gevaarlijk is, dat er mensen in verdronken zijn, dat je onder water niet kunt leven. Je weet ook dat je nu eenmaal met die zee zit, dat er niet aan te ontsnappen valt.’ Bovendien wendt ze als filosofe de taal ook aan om afstand te creëren ten aanzien van haar directe beleving van de depressie. Ze gaat daarvoor te rade bij filosofen die interessante ideeën hebben uitgewerkt die ze herkent en die haar helpen bij het kaderen van wat haar overkomt. De historisch opgebouwde bibliotheek van de filosofie is haar werkplaats. Het is een bibliotheek met veel verdiepingen, kamers, leeshoeken en uitzichten, een onuitputtelijke bron van inspiratie.

Zo heeft Albert Camus, een Franse filosoof die tot de existentialisten wordt gerekend, in De mythe van Sisyphus een nog steeds relevante bijdrage geleverd tot het denken over zelfdoding. Hoe je naar de af te leggen en de reeds afgelegde weg kan kijken. Die is niet noodzakelijk doodlopend. Hij kan ook verrassend wijzigen naar een nieuwe horizon. Ongeneeslijk lijden, een voltooid leven of de dagdagelijkse beleving van het niets kunnen wel de aanleiding zijn om de sprong naar de dood te overwegen. Alleszins lokken ze bedenkingen uit over de zinloosheid en de absurditeit van het leven. Mensen met een depressie worden hard geconfronteerd met het verlies van zingeving. Relaties verliezen hun betekenis, uitzichten verliezen hun dimensies. Kleuren lossen hun pigment en worden grijs, de dagen zijn meedogenloos vlak. De dominante ervaring van depressie is die van de terugtrekking, waardoor je afgesloten raakt van jezelf en van de wereld. Het is wezenlijke vervreemding die zich voordoet als een toenemende zwaarte van het gemoed en die gepaard gaat met gedachten als ik kan er beter niet zijn. ‘Alles wat de moeite waard is wordt langzaam weggeschraapt en wat overblijft is kale rots.’

Van jongs af aan leven we met anderen op een betekenisvolle manier samen. Dat schept oppervlakkige maar ook diepe, intense banden die in een depressie plots of geleidelijk aan onbereikbaar worden. Zonder die banden slaat de eenzaamheid toe. Door Walging van Sartre te lezen, leerde Eva Meijer deze vervreemding te begrijpen als een toenemende kennismaking met het menselijke tekort. Er wordt met de geboorte geen levenszin meegegeven. De ervaring van leegte is normaal, het vermijden ervan is dat niet. Wie depressief is, wordt in de absurde leegte van het bestaan gezogen. Door uit te gaan van leegte als existentiële basis normaliseert Meijer de depressie. In een cultuur van geluk en genot is er niet zoveel plaats en tijd beschikbaar voor pijn en ongeluk. Die moeten worden geneutraliseerd en weggenomen door geneesheren en therapeuten. Terecht wordt aan mensen via de (geestelijke) gezondheidszorg therapie, ondersteuning en hulp geboden – maar niet zonder het besef van de onvoorspelbare of voorspelbare beproevingen van het leven.

Meijer is zich haar beproevingen en lot goed bewust. Door het verlammende en het isolement dat met depressies gepaard gaat, waar te nemen – en dankzij de ontwikkeling van een zelfgekozen levenswijze en -houding – lijkt ze erin te slagen het belemmerende en afwijkende ervan om te buigen en te integreren in haar bestaan. Worden en zijn haken in elkaar, net als denken en voelen. Het resultaat is dat ze met zichzelf en haar aandoening verder kan leven. Ze kijkt daarbij voorbij datgene wat haar door de geestelijke gezondheidszorg wordt aangeboden, zonder evenwel de strijd met die zorg aan te gaan. Zo komt ze tot een zelf geboetseerde Amor Fati. Ze aanvaardt en affirmeert wat haar overkomt. Hoe is ze daartoe gekomen?

Haar recept is de belichaming en de inbedding van haar depressies in haar denken en bestaan. Meijer gaat ervan uit dat het denken, voelen en handelen met elkaar verstrengeld zijn. Ze verhouden zich als een chiasme, maar dan met drie elementen in twee strengen, zoals Maurice Merleau-Ponty – een bekende vertegenwoordiger van de fenomenologie die Meijer graag aanwendt – in beeld bracht. Het woord chiasme komt van de Griekse letter chi, die geschreven wordt als . Sarah Bakewell heeft het thema van het vervlechten en kruisen van lijnen heerlijk helder beschreven in De existentialisten: ‘Deze gevlochten figuren doen denken aan twee handen die elkaar vastpakken, of aan de wollen draad die bij het breien steek voor steek een patroon vormt. Of zoals Merleau-Ponty zegt: ‘Het grijpen is gegrepen.’’ Waar het bij Merleau-Ponty gaat over de verbinding tussen het bewustzijn en de wereld, deelt Meijer het bewustzijn verder op in gevoelens en gedachten. De wereld komt in beeld dankzij het verbindend handelen van de mens. Deze drie elementen kunnen niet zonder elkaar. Ze kruisen en beïnvloeden elkaar voortdurend.

Hoe gaat dit verstrengelen concreet in z’n werk? Om opnieuw met een door Meijer geciteerde filosoof te antwoorden: ze past de ‘antieke zorg voor het zelf’ toe. Het is Michel Foucault die deze zorg bestudeerde in de teksten van Romeinse filosofen. Ze bestaat eruit dat oude gewoontes worden verlaten en nieuwe worden aangeleerd. Het is de wens en de wil tot verandering. Bepaalde invloeden en voornemens worden versterkt, terwijl andere worden ontkracht. Als alternatief voor en aanvulling bij wat de hulpverleners in de geestelijke gezondheidszorg te bieden hebben, heeft Meijer zich in de loop der jaren een strenge training opgelegd. Ze observeerde bij al wat ze deed de effecten ervan op haar gemoedstoestand en op haar geestelijke krachten. Ze beschrijft hoe ze zo leerde om lange wandelingen te maken en hoe haar honden vrienden werden. Ze spreekt in die zin over haar hulpdieren. Wat lijkt op een ascetische levenshouding, die bestaat uit het zich ontzeggen van allerlei genotsmiddelen zoals alcohol, een rijke voeding of seksualiteit, kan ook gezien worden als het verwerven van een nieuw ethos. Een ethos dat bestaat uit het oefenen van fysieke en geestelijke vaardigheden en een harde, maar zelf gekozen en aangeleerde disciplinering die een positief effect heeft op haar persoon. Een ethos of gewoontevorming die zo bijdraagt tot de opbouw van een subjectiviteit.

Observeren hoe activiteiten als wandelen en lopen en voldoende en regelmatig slapen, inwerken op haar gemoed, was het opzet van haar onderzoek. Tegelijk ontplooide ze een zelfgekozen creativiteit volgens een dagelijks ritme van inspanning, concentratie en ontspanning. Dat alles heeft Eva Meijer danig geholpen. Het resulteerde niet in genezing, maar wel in acceptatie en zingeving. Een houding die een ander hedonisme inhoudt dan dat van het ééndimensionale genieten in gelukzalige zorgeloosheid. Het is verleidelijk om het ideaal van de (geestelijk) gezonde mens voorop te stellen. Wie dat ideaal niet benadert, is ziek en moet via allerhande therapieën geholpen worden. Hulp bieden is ook de essentie van de (geestelijke) gezondheidszorg. Maar zolang de ziekte niet als het eigen existentiële lot begrepen wordt, kan het bewustzijn het niet in zich opnemen en er taal aan geven. Met haar praktijk individualiseert Meijer zichzelf op een manier die verandering van bestaande gewoontes en gebruiken en het beheer van haar eigen levensenergie impliceert. Tegelijk is het ook een maatschappelijk statement: er is ruimte voor individualisering. Je kan, tot op zekere hoogte, zelf bepalen hoe je met je levenslot omgaat.

Filosoferen als dagdagelijkse interventie betekent voor Eva Meijer het stellen van vragen die levenspraktijken en gewoontes in onze samenleving kritisch onder de loep nemen. Niet hoogdravend geformuleerd, noch met behulp van een omvattende theorie. Wel aan de hand van voor haar bruikbare concepten die ze ontleend aan de bibliotheek van de filosofie. Ze gebruikt begrippen en redeneringen als instrumenten om in het maatschappelijk debat tussen te komen, om een aspect van de realiteit tussen haakjes te plaatsen en het zo voor discussie of nadere beschouwingen vatbaar te maken. Het is een bij uitstek postmoderne manier van denken. Haar manier van filosoferen is een voorbeeld van wat Rosi Braiddoti affirmatie noemt, pragmatische (zelf)transformatie door middel van eenvoudige en alledaagse (experimentele) oefeningen.

De realiteit op een andere dan de gekende en dominante manier benoemen, zonder te streven naar een nieuw groot verhaal en zonder toe te geven aan het nihilisme van een waardeloze werkelijkheid. Publieksfilosofie zou je het ook kunnen noemen. Haar essays zijn immers helder, verstaanbaar en tegensprekelijk opgesteld. Je kan er makkelijk kritiek op uitoefenen omdat haar argumenten en conclusies transparant zijn en omdat je een en ander zelf kan uitproberen, beamen of tegenspreken. Bovendien zijn haar teksten dienstbaar. Het is toegepaste filosofie, je kan ermee aan de slag. In een tijdperk waarin disciplines zoals de psychologie en de psychiatrie werken met statistisch verworven inzichten en geprotocolleerde behandelingen, is zelfzorg waarin het individu zich vastbindt aan zijn eigen bestaan, onontbeerlijk. Eva Meijer stelt zich als observator en onderzoeker in deze stroming van de filosofie onvermijdelijk kwetsbaar op, maar doet dat daarom niet minder krachtig. Haar interventies zijn geslaagd en verdienen wat mij betreft kritische en aangepaste navolging. 

Over de auteur 
Jean-Pierre Vanhee is master in de moraalwetenschappen en doctor in de agogische wetenschappen. Hij doceert het vak Integrale Jeugdhulp aan de VUB en was Algemeen directeur van het Agentschap Jongerenwelzijn van 2013 tot 2018.

 
Wil je de papieren versie van De Geus thuis ontvangen? klik hier voor meer informatie.