JULI 2019

­LEER DENKEN ALS EEN ROMEINSE KEIZER



   


Marcus Aurelius was de laatste beroemde stoïcijnse filosoof van de oudheid. In zijn leven kende hij tegenslag, verdriet, verlies, verraad en worstelde hij met de moeilijkheden die het besturen van het enorme Romeinse keizerrijk met zich meebracht. Hij overkwam die uitdagingen dankzij de praktische wijsheid van de stoïcijnse filosofie. Cognitief gedragstherapeut Donald Robertson beschrijft het leven en de filosofie van Marcus Aurelius in Leer denken als een Romeinse keizer. Succesvol leven met Marcus Aurelius. Doorheen het boek introduceert Robertson stap voor stap de inzichten, oefeningen en cognitieve technieken die vervat zitten in de stoïcijnse levenswijsheid. Iedereen kan ze aangrijpen om een vervullend leven te vinden en mentale weerbaarheid te ontwikkelen. Het boek verschijnt in september bij uitgeverij Ten Have, maar u vindt hier al een exclusieve voorpublicatie. In november komt Robertson zelf naar de Vooruit in Gent voor het filosofiefestival Nacht van de Vrijdenker.

 

MARCUS AURELIUS


   

DE DODE KEIZER

Het is het jaar 180 na Christus. Terwijl men zich opnieuw opmaakt voor een lange en zware winter in het noordelijk grensgebied, ligt de Romeinse keizer Marcus Aurelius op zijn bed in het militaire kamp in Vindobona (het tegenwoordige Wenen). Zes dagen eerder werd hij geveld door koorts en zijn conditie is sindsdien snel achteruitgegaan. Zijn artsen beseffen dat hij het slachtoffer is geworden van een vreselijke epidemie – de Pest van Antonius (waarschijnlijk een pokkenvirus) – die het rijk al veertien jaar teistert. Marcus is bijna zestig jaar oud en lichamelijk zwak. Alle tekenen wijzen erop dat hij niet meer zal herstellen. Maar voor de artsen en hovelingen die aanwezig zijn is de keizer op een vreemde manier kalm, ja, bijna onverschillig onder dit lot. Hij heeft zich vrijwel zijn hele leven op dit moment voorbereid. De stoïcijnse filosofie, waarvan hij een volgeling is, heeft hem geleerd om rustig en rationeel zijn sterfelijkheid te overdenken. Leren sterven is volgens de stoïcijnen afleren om als een slaaf te leven.

Deze filosofische houding tegenover de dood was hem niet komen aanwaaien. Marcus’ vader was gestorven toen hij nog maar een paar jaar oud was, wat hem vroeg volwassen maakte. Toen hij zeventien jaar was werd hij geadopteerd door keizer Antonius Pius vanwege een opvolgingsplan dat was bedacht door zijn voorloper, Hadrianus. Hadrianus had in Marcus als kind al wijsheid en grootsheid herkend. Niettemin kostte het de jongen grote moeite om het huis van zijn moeder te verlaten en in het paleis van de keizer te gaan wonen. Antonius zocht voor Marcus de beste leraren in de retorica en de filosofie om hem voor te bereiden op het keizerschap. Tot zijn docenten behoorden deskundigen op het gebied van het platonisme en aristotelisme, maar zijn belangrijkste filosofische scholing was die in stoïcisme. Al deze mensen werden voor hem als zijn eigen familie. Toen een van zijn meest geliefde docenten overleed zou Marcus zo hebben gehuild dat de paleisdienaren wanhopig hadden geprobeerd om hem te kalmeren. Ze waren bang dat men zijn gedrag ongepast zou vinden voor een toekomstig heerser. Maar Antonius vroeg de hovelingen om de jongen met rust te laten: ‘Laat hem voor één keer een mens zijn, want noch de filosofie noch het rijk nemen de gevoelens van de natuur weg.’ Jaren later, nadat hij meerdere kinderen op jonge leeftijd had verloren, werd Marcus opnieuw publiekelijk tot tranen geroerd tijdens een rechtszaak toen hij een advocaat in zijn verweer hoorde zeggen: ‘Gezegend zijn degenen die stierven door de pest.’

Marcus was van nature een beminnelijke en gevoelige man, die diep geraakt kon worden door verlies. In de loop van zijn leven verdiepte hij zich steeds meer in de filosofie van het stoïcisme om te leren omgaan met het verlies van dierbaren. Nu hij zelf op sterven lag, dacht hij opnieuw na over de mensen van wie hij afscheid had moeten nemen. Een paar jaar eerder was keizerin Faustina, die vijfendertig jaar lang zijn echtgenote was geweest, overleden. Hij had lang genoeg geleefd om acht van hun dertien kinderen te zien heengaan. Vier van zijn acht dochters leefden nog, maar slechts een van zijn vijf zoons, Commodus. De dood was overal. Tijdens Marcus’ regeringsperiode overleden miljoenen Romeinen in het rijk door oorlogen en ziekten. Die twee gingen hand in hand, omdat de militaire kampementen bijzonder kwetsbaar waren voor besmetting, vooral tijdens de lange wintermaanden. Om hem heen hangt nog steeds de sterke en zoete geur van wierook, waarmee de Romeinen tevergeefs de verspreiding van de ziekte hoopten te voorkomen. Al bijna tien jaar herinnerde de geur van rook en wierook Marcus aan het feit dat hij in de schaduw van de dood leefde en dat het dagelijks overleven niet als een vanzelfsprekendheid kon worden beschouwd.

Besmetting met de pest was niet altijd fataal. Marcus’ beroemde hofarts, Galenus, had opgemerkt dat de slachtoffers stierven als hun ontlasting zwart werd, wat een symptoom was van interne bloedingen. Waarschijnlijk is dat de reden dat Marcus’ artsen wisten dat hij stervende was, maar het kan ook zijn dat ze zich realiseerden dat hij te zwak was door zijn ouderdom. Zijn hele volwassen leven had hij last gehad van chronische pijn op de borst en een maagkwaal. Hij was regelmatig ziek en had een slechte eetlust. Dit keer liet hij voedsel en drank vrijwillig staan om zijn dood te bespoedigen. Socrates vergeleek de dood met een kwajongen met een eng masker, die zich voordeed als een kwade geest om kleine kinderen de stuipen op het lijf te jagen. De wijze neemt echter voorzichtig dat masker weg en ontdekt dat er niets achter zit om bang voor te zijn. Nu de dood nadert is Marcus door zijn levenslange voorbereiding niet banger dan toen de dood nog ver weg was. Daarom vraagt hij zijn artsen om geduldig en tot in detail te beschrijven wat er gebeurt in zijn lichaam, zodat hij zijn fysieke gesteldheid kan overdenken met de bedachtzame onverschilligheid van een natuurlijke wijsgeer. Zijn stem is zwak en de blaren op zijn tong en in zijn keel maken het moeilijk voor hem om te spreken. Weldra is hij zo moe dat hij ze gebaart om te vertrekken, omdat hij zijn contemplatie in alle eenzaamheid wil vervolgen.

Terwijl hij alleen in zijn kamer is, luistert hij naar het geluid van zijn ademhaling. Hij voelt zich allang geen keizer meer – hij is gewoon een oude zieke man, die stervende is. Hij draait zijn hoofd opzij en ziet een glimp van zijn spiegelbeeld in het gepolijste oppervlak van het gouden standbeeld van de godin Fortuna, die naast zijn bed staat. Van zijn stoïcijnse docenten had hij geleerd om in gedachten een oefening te doen bij het zien van zijn eigen spiegelbeeld. Het was een manier om emotionele veerkracht te vergroten door jezelf te oefenen en vertrouwd te maken met je eigen sterfelijkheid. Terwijl hij met zijn ogen de reflectie van zijn gezicht zoekt, probeert hij zich voor te stellen dat een van de Romeinse keizers, die allang dood is, hem aankijkt. Eerst stelt hij zich Antonius voor, zijn adoptiefvader, en daarna zijn adoptiefgrootvader, keizer Hadrianus. Hij probeert in zijn spiegelbeeld zelfs de trekken te ontdekken van schilderijen en sculpturen van Augustus, die twee eeuwen eerder het rijk stichtte. Terwijl hij dat doet, zegt Marcus zachtjes tegen zichzelf: ‘Waar zijn al deze mensen nu?’ En hij fluistert ook het antwoord: ‘Nergens ... of in elk geval op geen enkele plaats waar wij woorden voor hebben.’

Ofschoon hij half in slaap is blijft hij geduldig de sterfelijkheid overdenken van de keizers die hem voorgingen. Er is niets over van hen behalve botten en stof. Hun illustere levens werden geleidelijk minder glansrijk voor volgende generaties, die hen nu al bijna vergeten zijn. Zelfs hun namen hebben hun glans verloren en lijken afkomstig uit een andere wereld. Als jongen was keizer Hadrianus bevriend met Marcus. Soms gingen ze samen op berenjacht. Maar nu zijn er jonge officieren in Marcus’ leger die Hadrianus’ naam alleen nog kennen uit de geschiedenisboeken. Zijn levende lichaam is nu al weer lang geleden vervangen door levenloze portretten en standbeelden. Antonius, Hadrianus, Augustus – stuk voor stuk zijn ze dood en verdwenen. Iedereen van Alexander de Grote tot zijn eenvoudige ezeldrijver eindigt ten slotte in dezelfde grond. Koning en pauper wacht hetzelfde lot ...

Zijn gedachtestroom wordt ruw onderbroken door een hoestbui. Hij hoest bloed en weefsel op van de blaren op zijn keel. De pijn en de koorts wedijveren om zijn aandacht, maar Marcus richt zich op het volgende deel van zijn meditatie: hij zegt tegen zichzelf dat hij niet meer is dan een van deze dode mannen. Spoedig zal hij niets meer zijn dan een naam naast andere namen in de geschiedenisboeken. Ja, op een dag zal zijn naam helemaal vergeten zijn. Zo mijmert hij over zijn sterfelijkheid, waarbij hij gebruik maakt van eeuwenoude stoïcijnse oefeningen die hij leerde in zijn jeugd. Als we onze eigen vergankelijkheid werkelijk hebben aanvaard als een onontkoombaar lot in het leven, wordt het verlangen naar onsterfelijkheid net zo zinloos als het verlangen naar een lichaam dat hard is als diamant of kan vliegen als een vogel. Als we werkelijk beseffen dat tegenspoed bij het leven hoort, hebben we niet langer de drang om erover te piekeren. Dan verlangen we niet meer naar dingen die onmogelijk zijn, omdat we helder en duidelijk inzien dat het zinloos is om dat te doen. Aangezien bijna niets zo zeker is als de dood zou ze door een wijs mens het minst moeten worden gevreesd.

Hoewel Marcus aan zijn filosofische scholing begon toen hij nog maar een jongen van twaalf was, werd zijn beoefening intensiever toen hij in de twintig was en bewust besloot om stoïcijn te worden. Sinds die tijd deed hij dagelijks oefeningen. Hij trainde zijn geest en zijn lichaam om te gehoorzamen aan de rede en wist zichzelf zo als mens, maar ook als keizer, geleidelijk te transformeren in iemand die het stoïcijnse ideaal benaderde. Hij probeerde op systematische wijze wijsheid en geestelijke veerkracht te ontwikkelen, waarbij hij zichzelf vormde naar het beeld van filosofen die dezelfde ideeën hadden en van mensen voor wie hij grote bewondering had, zoals met name Antonius. Hij overdacht hoe ze allerlei vormen van tegenspoed met kalme waardigheid wisten te verdragen. Hij onderzocht hoe ze hun leven in overeenstemming brachten met de rede en hoe ze de kardinale deugden van wijsheid, rechtvaardigheid, moed en matigheid wisten te integreren in hun dagelijks leven. Ze voelden de pijn van het verlies, maar bezweken er niet onder. Marcus had zo vaak een geliefde verloren en zijn reactie daarop zo vaak geoefend dat hij niet meer onbeheerst huilde. Hij schreeuwde niet meer: ‘Waarom?’ en ‘Hoe kon dat gebeuren?’ Hij koesterde zulke gedachten niet langer. Dat de dood niet alleen natuurlijk is, maar ook een onvermijdelijk deel van het leven vormt, was nu echt tot hem doorgedrongen. Nu zijn tijd was gekomen verwelkomde hij de dood met een filosofische houding. Je zou zelfs kunnen zeggen dat hij had geleerd om vriendschap te sluiten met de dood. Hij kon nog steeds huilen en treuren om verlies, maar nu als een wijs man. Hij maakte het natuurlijke verdriet niet groter door te klagen en boos zijn vuisten op te heffen naar het heelal.

Sinds het voltooien van zijn dagboek met filosofische reflecties enkele jaren daarvoor had Marcus de laatste fase van zijn spirituele reis doorlopen. Terwijl hij daar zo lag, vol pijn en ontberingen, herinnerde hij zichzelf vol liefde aan het feit dat hij onderweg al vele malen was gestorven. Als kind al stierf Marcus toen hij als troonopvolger naar het keizerlijk paleis moest verhuizen, toen hij de titel Caesar kreeg na de dood van Hadrianus. Na Antonius’ dood stierf Marcus, de jonge Caesar, toen hij diens plaats moest innemen als keizer van Rome. En toen hij vanwege de strijd tegen de Marcomannen Rome moest verlaten om het commando op zich te nemen over de Romeinse legioenen stierf hij nogmaals: een overgang naar een leven vol oorlog en ronddwalen in een vreemd land. Nu, als oude man, keek hij de dood niet voor het eerst, maar voor het laatst in de ogen. Vanaf het moment dat we worden geboren sterven we, niet alleen in elke levensfase maar iedere dag een beetje. Ons lichaam is niet langer het lichaam waar onze moeder het leven aan gaf, schrijft Marcus. Niemand is dezelfde als gisteren. Als we dat beseffen wordt het gemakkelijker om los te laten: we kunnen het leven net zo min vasthouden als een rivier met stromend water.


Donald Robertson 
 
Vertaling: Karl van Klaveren
Het boek ligt vanaf 3 september in de boekhandel. Op 9 november komt Donald Robertson samen met een twintigtal andere denkers naar de Nacht van de Vrijdenker. Meer info: www.nachtvandevrijdenker.be

Donald Robertson, Leer denken als een Romeinse keizer. Succesvol leven met Marcus Aurelius. Vert.: Karl van Klaveren. Ten Have: 2019. ISBN 9789025907211.
 
Wil je de papieren versie van De Geus thuis ontvangen? klik hier voor meer informatie.