NOVEMBER 2018

DE RELIGIEKRITIEK VAN KARL MARX



   

Tweehonderd jaar geleden werd in de Duitse stad Trier Karl Marx geboren. De bebaarde filosoof staat vandaag vooral bekend als revolutionair, theoreticus van het socialisme en communisme en economisch denker maar hij was daarnaast ook een belangrijk humanistisch denker. Sterker, voor Marx was de kritiek op het toen ontluikende industrieel kapitalisme een logisch uitvloeisel van zijn humanisme.
 

FILOSOOF OVER FILOSOOF


Karim Zahidi
   
Marx groeide op in het 19de-eeuwse Pruisen, één van de machtigste Duitse staten, waar politiek en religie nauw verstrengeld waren. Het protestantisme was, als staatsgodsdienst, een belangrijke steunpilaar van de absolute macht van de koning en de Pruisische landadel. De strijd voor democratische hervormingen was bijgevolg niet alleen een politieke strijd tegen de koning en adel maar ook een ideologische strijd tegen de kerk en religie. In die ideologische strijd namen progressieve filosofen, die hun vakgebied wilden bevrijden van de dominante invloed van theologische denkkaders, een belangrijke plaats in.

KRITIEK OP HET CHRISTENDOM

Marx komt als filosofiestudent in aanraking met de Jong-Hegelianen. Leden van deze filosofische kring, zoals Ludwig Feuerbach en Bruno Bauer, wilden Hegels filosofie zuiveren van haar theologische invloeden en conservatieve implicaties zonder daarbij de kritische inzichten ervan naar de vuilnisbelt van de filosofiegeschiedenis te verwijzen. Om dit te realiseren, ontleden ze, deels op basis van de filosofie van Hegel, het christendom op een zeer kritische manier. Zo publiceert Ludwig Feuerbach in 1841 de studie Das Wesens des Christentums. Daarin stelt hij dat, in tegenstelling tot wat het christendom leert, niet god de mens maar wel de mens god naar zijn evenbeeld heeft geschapen. Eigenschappen, zoals goedheid, rechtvaardigheid en wijsheid, die aan god worden toegeschreven, zijn niets anders dan menselijke eigenschappen. Door de projectie van eigenschappen zoals goedheid, rechtvaardigheid en wijsheid op een transcendente god, vervreemdt de mens van zichzelf. Sterker nog, door die vervreemding creëert de mens een fictief wezen waaraan hij zichzelf onderwerpt en er zich afhankelijk van maakt: de mens, een nietig en zondig wezen, heeft een god nodig om aan die zondige staat te ontsnappen. Door die onderwerping staat niet langer de volledige zelfontplooiing van de menselijke capaciteiten in deze wereld centraal maar wel de gehoorzaamheid aan God en, als beloning, de eeuwige gelukzaligheid in het hiernamaals.

VERVREEMDING

Het werk van de Jong-Hegelianen maakt zodanig indruk op de jonge Marx dat hij het beschouwt als de voltooiing van drie eeuwen religiekritiek. Maar ondanks deze lofbetuigingen staat Marx ook zeer kritisch tegenover een aantal van hun uitgangspunten. In zijn Thesen über Feuerbach verwijt hij Feuerbach dat diens mensbeeld eenzijdig is: hij ziet de mens in eerste instantie als een denkend en contemplatief wezen terwijl de mens volgens Marx een praktisch, handelend wezen is. Dit mankement uit zich, aldus Marx, ook in de religiekritiek van Feuerbach. Zoals we gezien hebben is, voor Feuerbach de vervreemding een gevolg van het vals bewustzijn. Dit wil zeggen dat de vervreemding waarmee de religieuze mens te maken krijgt het gevolg is van het feit dat hij er verkeerde denkbeelden op nahoudt en niet inziet dat god zijn eigen constructie is. Om die toestand van vervreemding en de daarbij horende gevoelens van nietigheid en zondigheid te overwinnen volstaat het volgens Feuerbach om de ideeën te veranderen. Marx verwerpt Feuerbachs remedie tegen vervreemding omdat ze volgens hem nog met één voet in het idealisme staat. Kenmerkend voor deze filosofische stroming is de gedachte dat ideeën (of het denken) op één of andere manier fundamenteler zijn dan de zintuigelijke wereld (het handelen), dus de wereld buiten de gedachten. Kort door de bocht: als er iets structureel misloopt in de zintuigelijke wereld dan is dat omwille van het feit dat mensen de verkeerde ideeën hebben over die wereld en dan komt het erop aan deze ideeën te veranderen.

Marx ontkent niet dat ideeën belangrijk zijn of kunnen veranderen, maar hij is er wel van overtuigd dat nieuwe ideeën slechts maatschappelijk relevant worden als er ook iets verandert in de zintuigelijke wereld.

De fout van Feuerbach is, volgens Marx, dat hij de wortels van vervreemding in het denken zoekt, terwijl ze zich in de zintuigelijke, materiële wereld bevinden. Maar wat zijn die vervreemdende processen in de zintuigelijke wereld? Om hierop te antwoorden moeten we nog een beetje dieper graven in Marx’ opvattingen over de mens. Ten eerste is de mens, aldus Marx, een soortwezen. Dit betekent dat de mens een wezen is dat zichzelf ziet als onderdeel van de soort mens. Hierin verschilt de mens van andere dieren: de goudvis behoort ook tot een soort, maar ziet zichzelf niet als dusdanig. De mens ziet zichzelf als onderdeel van een groter geheel en dit maakt haar een sociaal wezen.

Dit sociale aspect uit zich ook in een tweede kenmerk van de mens. Mensen produceren niet alleen hun bestaansmiddelen en productiemiddelen (werktuigen), maar doen dit in een sociale context. Creatieve productie, creatieve arbeid, is dus een belangrijke manier waarop de mens zichzelf realiseert. Gelet op de prominente rol die arbeid speelt in Marx’ opvattingen over de mens, is het niet verwonderlijk dat de arbeidsverhoudingen in een maatschappij een bron van vervreemding kunnen zijn. En precies daar knelt voor Marx het schoentje. Onder een kapitalistische productiewijze is de arbeid voornamelijk loonarbeid en die is volgens Marx vervreemdend. Deze vervreemding toont zich op verschillende niveaus. Het meest zichtbare aspect van vervreemding is dat mensen die in loondienst werken geen beschikking hebben over het product van hun arbeid. Iemand die werkt in een fabriek heeft geen eigendomsrechten over de producten die hij fabriceert, net zomin als een Google-programmeur eigenaar is van de programmacodes die hij ontwikkelt. Mensen in loondienst zijn evenmin eigenaar van de productiemiddelen waarmee ze hun arbeid uitvoeren. Aangezien de loonarbeider noch over de middelen noch over de resultaten van zijn arbeid beschikt, kan hij het arbeidsproces niet zelf vormgeven. Arbeid is dan niet langer een activiteit waarin de mens zijn creativiteit kan botvieren. Aangezien creatieve arbeid een wezenskenmerk is van de mens, vervreemdt de mens in het kapitalistische arbeidsproces van zichzelf.

De vervreemding waartoe loondienst en kapitalisme aanleiding geven, manifesteert zich ook in het feit dat mensen – zowel loonarbeiders als ondernemers – voortdurend in concurrentie met elkaar moeten treden. Deze concurrentie resulteert in vervreemding tussen mensen en dit zorgt op zijn beurt voor de vervreemding van de mens ten aanzien van zijn sociale natuur.

Een derde aspect van vervreemding vindt zijn oorsprong in de maatschappelijke dynamiek van het kapitalisme. Marx was ervan overtuigd dat het kapitalisme geplaagd wordt door steeds weerkerende economische crises met desastreuze gevolgen (honger, armoede, ziekte) voor grote delen van de bevolking. Maar op die crises heeft niemand greep, aangezien de kapitalistische economie zich ongepland ontwikkelt. Maar dit betekent dat het door mensen geconstrueerde maatschappelijke systeem aan hem verschijnt als een buitenmenselijk, transcendent systeem waaraan hij is overgeleverd. Dit laatste aspect van kapitalistische vervreemding lijkt sterk op de religieuze vervreemding: ook daar is de mens onderworpen aan een entiteit die hij zelf geschapen heeft en niet langer vat op heeft.

OPIUM VAN HET VOLK

De vervreemding die ingebakken zit in de kapitalistische maatschappij maakt de volledige ontplooiing van de menselijke capaciteiten onmogelijk, getuige de vele vormen van onderdrukking en armoede. Om aan deze irrationele vervreemding enige zin en betekenis te geven, wendt de mens zich tot de religie:

‘De religieuze nood is aan de ene kant de uitdrukking van de werkelijke nood en aan de andere kant het protest tegen de werkelijke nood. De religie is de zucht van de in benauwenis verkerende creatuur, het gemoed van een harteloze wereld, zoals zij de geest van de geestloze toestanden is. Zij is de opium van het volk.’

Bovenstaand citaat uit Marx’ Kritiek op Hegels Rechtsfilosofie illustreert dat Marx ambivalent staat ten opzichte van religie. Enerzijds zijn religieuze ideeën irrationeel: de erbarmelijke toestand op aarde is geen deel van een goddelijk plan en er is geen hiernamaals waarin we een beter leven kunnen leiden. Anderzijds beschrijft hij religie als een troostmiddel: het is een ‘aureool rondom het tranendal’. Net als opium laat religie de mens toe om even weg te dromen en schijnbaar te ontsnappen aan de pijn en het lijden in deze wereld. Dergelijke ontsnapping is weliswaar illusoir, maar ‘de eis om de illusies over zijn toestand op te geven is de eis om een toestand op te geven die illusies nodig heeft.’ En precies dat laat Feuerbach na in zijn religiekritiek: hij bekritiseert weliswaar religieuze denkbeelden, maar laat na om de toestand die dergelijke denkbeelden nodig heeft te bekritiseren en te veranderen. Wat Marx humanisten zoals Feuerbach verwijt, is dat ze niet ver genoeg gaan in hun humanisme. Feuerbach stelt de mens weliswaar centraal in zijn filosofische verwerping van de religie, maar hij vergeet de volle ontplooiing van de menselijke capaciteiten moet plaatsvinden doorheen het maatschappelijke reproductieproces.

AMNESIE

De religiekritiek van Marx leidt regelmatig tot misverstanden. Zo wordt bijvoorbeeld Marx’ befaamde citaat over religie als opium van het volk wordt soms verkeerd weergegeven als ‘opium voor het volk’. Door deze schijnbaar kleine aanpassing krijgt het citaat echter een andere betekenis. Wie het heeft over ‘opium voor het volk’ geeft aan dat religie niet ontstaan is vanuit het gewone volk zelf, maar door machthebbers is uitgevonden om het volk mee te bedwelmen zodat ze de uitbuiting en het misbruik door de machthebbers niet zouden in vraag stellen. Nu is het ongetwijfeld zo dat religie vaak op die manier wordt gebruikt, maar dat is niet de kern van Marx’ religiekritiek. Marx probeert aan te tonen dat de nood aan religie verweven is met de maatschappelijke structuur, en dat de enige manier om die nood te elimineren een maatschappelijke verandering is. Marx beweert dus niet dat machthebbers in staat zijn om een religieuze nood te creëren en deze vervolgens te gebruiken om hun eigen privileges te vrijwaren. Het inzicht van Marx laat wel zien dat het bestaan van dergelijke religieuze nood, machthebbers toelaten die ook te misbruiken.

De religiekritiek van Marx lijkt vandaag min of meer vergeten bij het ruime publiek. In het werk van populaire nieuwe atheïsten zoals Richard Dawkins of Sam Harris is er geen spoor van terug te vinden. Ik denk dat deze amnesie geen goede zaak is voor het humanisme. Marx’ kritiek op godsdienst focust zich niet alleen op de onwetenschappelijkheid of immoraliteit ervan, maar stelt godsdienst en de maatschappelijke organisatie waarvan ze de uitdrukking is als hindernis voor de ontplooiing van alle menselijke capaciteiten centraal. Door deze ruimere focus spreekt het een ruimer palet aan menselijke bekommernissen aan. Het kan bijgevolg een publiek aanspreken dat geen boodschap hebben aan het sciëntistisch atheïsme van de nieuwe atheïsten.

Over de auteur 
Karim Zahidi is voorzitter van het Masereelfonds en is als wetenschapsfilosoof en docent verbonden aan het Departement Wijsbegeerte (UA).

 
Wil je de papieren versie van De Geus thuis ontvangen? klik hier voor meer informatie.