SEPTEMBER 2018

HET CREATIONISME IS VAN NATURE AANTREKKELIJK VOOR ONS BREIN


@Gerbrich Reynaert
   

Hij won dit jaar de Prijs Lucien De Coninck, een tweejaarlijkse prijs voor een onderzoeker die werk van hoog wetenschappelijk niveau combineert met een vrijzinnig-humanistische levenshouding en maatschappelijk engagement. Een gesprek met de Gentse filosoof Stefaan Blancke, over de ontdekking van mensapen, creationisme en de gevoeligheid van ons brein voor irrationele denkbeelden.

Griet Vandermassen
 

EEN INTERVIEW MET STEFAAN BLANCKE

 

De onderzoeksinteresses van Stefaan Blancke situeren zich in het domein van de wijsgerige antropologie, de evolutionaire psychologie en pseudowetenschappen, met name het creationisme. Die interdisciplinaire interesse gaat al terug tot zijn masterthesis, die focuste op de impact van de ontdekking van mensapen in de zeventiende eeuw. Darwins evolutietheorie was nog veraf, en men werd geconfronteerd met harige wezens die sterk op ons leken. Dat kwam voor sommigen als een schok.

Hoe reageerde men op de griezelige gelijkenis tussen ons en mensapen?
Het lokte wel wat discussie uit. De vraag was: zijn dit mensen? Eerst probeerde men om die bevinding zoveel mogelijk binnen het bestaande denkkader te plaatsen: dat van de Grote Ketting van het Bestaan, waarin elke soort een vaste plaats heeft. Men argumenteerde bijvoorbeeld dat chimpansees dan misschien wel spraakorganen hebben, en hersenen die sterk op de onze lijken, maar dat er een metafysisch principe ontbreekt dat alleen de mens heeft. De chimpansee werd hiermee een ontbrekende schakel tussen de mens en het dierenrijk.

In de loop van de Verlichting ontstonden nog andere opvattingen, zoals dat de mensheid doorheen de geschiedenis een evolutie doormaakte van primitieve samenleving naar het superieure Westen, met achterliggend het idee dat we misschien wel een dierlijke oorsprong hebben. Dat idee vinden we bijvoorbeeld bij Rousseau. Lord Monboddo, een achttiende-eeuwse Schotse rechter, stelde zelfs dat orang-oetans mensen zijn, maar dan in een vroege fase van de menselijke ontwikkeling. Dat stuitte op religieus verzet, want het tastte de menselijke waardigheid aan. Ook in een predarwinistisch kader vond men dus al dat de associatie van mensen met dieren onze waardigheid aantast.

Leek dit debat op het debat dat Darwins evolutietheorie uitlokte?
Het was veel minder intens en veel minder uitgewerkt. Het was ook sterk metafysisch getint. Het vertrok van het idee van de Grote Ketting van het Bestaan, waarbinnen je niet van de ene trap naar de andere mag springen. Ook Lord Monboddo dacht erg metafysisch. We werden volgens hem geschapen als dieren, domesticeerden onszelf steeds meer, bereikten een hoogtepunt in de Griekse cultuur en gingen sindsdien gestaag bergaf. Als de mensheid uiteindelijk uitsterft, zal ze overgaan in een geestelijke vorm. Dat ging bij Monboddo gepaard met een volledig kosmologisch programma. Hij was dus zeker geen voorganger van Darwin, op zijn suggestie na dat we iets te maken hebben met mensapen.

MODERN CREATIONISME

In hoeverre verschilt dit predarwinistische creationisme van de hedendaagse variant?
Hedendaagse creationisten maken daar niet graag een onderscheid tussen. Ze vinden dat hun traditie veel ouder is dan wat zich afspeelt sinds de evolutietheorie, en in zekere zin hebben ze gelijk. Het creationisme was immers het oorspronkelijke en meest voorkomende idee, overal ter wereld. Het verschil met het hedendaagse creationisme is echter dat dit laatste eerder anti-evolutionair is. Aangezien je de dingen een naam moet geven, noem ik het ‘modern creationisme’. Daarnaast heb je nog het theïstisch evolutionisme, dat ook creationistisch is, want het gaat ervan uit dat God geschapen heeft. Het moderne creationisme stelt echter dat je in de wereld bewijs kan vinden van Gods schepping. De functionele complexiteit van het menselijk oog zou daarvan een voorbeeld zijn.

Is het moderne creationisme in opgang?
Ik denk niet dat het zieltjes wint, maar voor Europa is dat moeilijk in te schatten, omdat goede cijfers ontbreken. Voor de VS hebben we wel cijfers, en daar blijft het al dertig jaar ongeveer hetzelfde: veertig procent van de bevolking wijst evolutie af, met recentelijk een kleine afname van dat percentage. In Europa zien we vooral dat creationistische groeperingen wat actiever geworden zijn, zeker in de aanloop naar het Darwinjaar van 2009, toen ze zich probeerden te mengen in het publieke debat. Nu is die activiteit weer wat gedaald. Ik denk dat de tijden niet zo gunstig zijn voor creationisten. Mensen lachen je uit als je jezelf creationist noemt.

Het concentreert zich wellicht meer in evangelische middens.
Vaak wel, en ook in kleinere religieuze gemeenschappen, zoals de orthodox-joodse en protestantse gemeenschap, en binnen de islam.

In welke Europese landen staat het creationisme het sterkst?
In Rusland, en bij uitbreiding het hele oostelijke deel van Europa. In ex-communistische landen is er ruimte vrijgekomen voor religie, omdat religie er zo lang onderdrukt werd. Daarnaast heb je belangrijke protestantse gemeenschappen in onder meer Nederland, maar het zou me sterk verwonderen als hun ledenaantal toeneemt. Wie de evolutietheorie verwerpt en zegt te geloven wat de Bijbel stelt, scheidt zich af van wat de meerderheid van de mensen denkt, ook al begrijpen die vaak niet wat de evolutietheorie eigenlijk inhoudt.

WEERSTAND TEGEN DE EVOLUTIETHEORIE

Binnen gesloten gemeenschappen zit je wel met een probleem.
Juist, maar ook daar wordt het steeds moeilijker om jongeren te vrijwaren van argumenten en feiten. Zij gaan ook naar school en volgen de media, dus is er meer kans dat ze blootgesteld worden aan kritische argumenten. Tenzij ze zich volledig opsluiten, maar ik denk dat velen in dit geval een positie zullen zoeken waarbij ze hun geloof op de een of andere manier kunnen verzoenen met de wetenschap.

Met moslims is er toch een groeiend probleem in middelbare scholen?
Dat horen we vaak van leerkrachten: van zodra de evolutietheorie ter sprake komt, wordt er amok gemaakt. Er zijn manieren om dat aan te pakken. Een Gentse leerkracht heeft dat onderzocht, via een eigen experiment. Ze gaf op drie manieren les over de evolutietheorie. Eerst hanteerde ze de autoritaire methode: dit is de waarheid. Daarna hield ze een krachtig pleidooi voor de evolutietheorie, en daarna stelde ze zich op als socratische leerkracht: je hoeft dit niet te aanvaarden, maar als je ertegen bent, wil ik wel dat je weet waar je tegen bent. Met die laatste aanpak creëer je ruimte om de argumenten pro evolutie te laten gelden. Leerlingen zijn dan tenminste al bereid om te luisteren, wat een belangrijke eerste stap is. Die leerkracht merkte dat een aantal leerlingen begon mee te denken, zich probeerden voor te stellen hoe evolutie werkt. Dat is al heel wat.

Het hangt ervan af waar je naar streeft als leerkracht. Je kan leerlingen niet dwingen om wetenschappelijke theorieën te aanvaarden. Je kan er alleen naar streven dat ze die theorieën begrijpen en hopen dat dit inzicht tot aanvaarding leidt.

Helpt het om bijvoorbeeld te beschrijven hoe geneeskunde werkt, of hoe resistentie ontstaat in bacteriën? Met andere woorden, de praktische toepassingen van de evolutietheorie aantonen?
Je kan het inderdaad pragmatisch aanpakken, maar het is niet zo dat ze door dat inzicht de evolutietheorie zullen aanvaarden. Creationisten hebben geen probleem met natuurlijke selectie, en in dat opzicht zijn ze eigenlijk super-evolutionisten – al zullen ze dit zelf uiteraard ontkennen. Ze geloven dat de aarde nog maar zes- tot tienduizend oud is, en gaan ervan uit dat er kinds bestaan: basistypes zoals ‘het basishondtype’ en ‘het basiskattype’. Dat is wat God geschapen heeft en wat je op de Ark terugvindt. Ze ontkennen dat je van het ene basistype naar het andere kunt, maar denken wel dat die types zich door natuurlijke selectie aangepast hebben aan hun verschillende omgevingen, met alle huidige soorten tot gevolg. Zo is het kattype bijvoorbeeld geëvolueerd tot leeuwen, cheeta’s en jaguars. Dat moet dus supersnel verlopen zijn, op hooguit tienduizend jaar.

Zien ze natuurlijke selectie dan als een blinde kracht?
Ze zien toch ook een portie goddelijke voorzienigheid. Dat vind je ook terug bij theïstische evolutionisten. Doorgaans zijn dat vrij progressieve gelovigen, die op die manier evolutie in overeenstemming proberen te brengen met hun geloof: God zal hier en daar wel een mutatie in de juiste richting gestuurd hebben.

Creationisten zijn dus niet onder de indruk van voorbeelden als resistentie. Ze zullen repliceren: ‘natuurlijk, want dat is kleinschalig. Maar je ziet wel geen kat in een hond veranderen!’ Creationisten zijn niet onnozel. Vooraanstaande creationisten zijn vaak academici. Weliswaar doorgaans met niet-relevante diploma’s, maar soit, het zijn intelligente mensen.

Zoals Cees Dekker in Nederland?
Cees Dekker is nanotechnoloog, hij bestudeert dus de heel kleine deeltjes. Hij dweepte een tijd met Intelligent Ontwerp, maar heeft dat weer afgezworen en ontkent nu zelfs dat hij die fascinatie ooit heeft gehad. Dekker is een evangelisch gelovige en inderdaad een erg goede wetenschapper. In 2003 ontving hij zelfs de Spinozapremie, een soort van Nederlandse Nobelprijs. Vandaag noemt hij zich een theïstisch evolutionist: natuurlijke selectie is Gods manier van scheppen. Hoe je dat in overeenstemming brengt met de blindheid van het proces van natuurlijke selectie, is mij een raadsel.

GELOVIG DOOR INTUÏTIES

Geloof is wellicht vooral een intuïtie. Je kan die moeilijk onderuit halen door rationele argumenten.
Religie is inderdaad vaak een intuïtieve aangelegenheid. Mensen ‘voelen’ Gods aanwezigheid. Maar religieuze overtuigingen zijn net wijdverspreid en hebben een bepaalde vorm omdat ze inspelen op een aantal intuïties die in ons brein aanwezig zijn door natuurlijke selectie. Die intuïties zorgen voor bepaalde verwachtingen over hoe de wereld in elkaar zit. We hebben bijvoorbeeld de intuïtie dat soorten een onveranderlijke kern hebben die hun identiteit bepaalt, wat botst met het idee van evolutie maar volledig aansluit bij het creationisme. We denken over anderen na in termen van intenties en doelen, omdat we een heel sociale soort zijn, dus het idee van bovennatuurlijke, onzichtbare actoren is heel aantrekkelijk voor ons brein. Volgens cognitief antropoloog Pascal Boyer voldoen succesvolle religieuze denkbeelden aan een bepaald recept: ze moeten voldoen aan wat we intuïtief verwachten over een persoon, bijvoorbeeld dat die verlangens heeft, onze wensen kan inwilligen en wraak kan nemen, maar die persoon moet ook iets contra-intuïtiefs hebben. Hij moet almachtig zijn of over andere bijzondere krachten beschikken. Dergelijke bijzondere eigenschappen trekken de aandacht van ons brein.

Draken en elfen voldoen ook aan die kenmerken, maar toch geloven mensen er niet in. Godsbegrip gaat erg diep. Waar zit het verschil?
De Grieken geloofden wellicht wel in Zeus, terwijl wij hem als een mythe beschouwen. Veel heeft er wellicht mee te maken dat bovennatuurlijke wezens toegang hebben tot ‘strategische informatie’: informatie die relevant is voor de interactie tussen mensen. Wie kunnen we vertrouwen? Wie bedriegt zijn vrouw? Dat is erg relevant, want we moeten voortdurend kunnen inschatten met wie we kunnen samenwerken of anderssoortige relaties aangaan. Goden hebben toegang tot al die relevante informatie, dus daar hou je maar beter rekening mee.

Waar ben je momenteel mee bezig?
Ik heb mijn vraagstelling naar de aantrekkelijkheid van religieuze denkbeelden uitgebreid naar die van de aantrekkelijkheid van pseudowetenschappen. Dat doe ik samen met Maarten Boudry en Johan Braeckman. Waarom geloven zoveel mensen in homeopathie of complottheorieën? Waarom zijn ze tegen ggo’s, ook al leven we in een wetenschappelijk tijdperk? Welke vorm nemen die irrationele denkbeelden aan waardoor ze zo succesvol worden?

Wat maakt pseudowetenschappen zo succesvol?
We hebben een aantal strategieën blootgelegd. Eén daarvan is intuïtieve aantrekkelijkheid. Ufologie en complotdenken sluiten aan bij onze intentionele psychologie: we denken graag na over fenomenen in termen van andere geesten die dingen bekokstoven. In creationisme en homeopathie vind je dan weer essentialisme terug, net als in de weerstand tegen ggo’s: planten hebben een essentie, en je mag daar niet aan morrelen.

Een tweede strategie van pseudowetenschappen is dat ze proberen om wetenschap te imiteren. Mensen beschouwen wetenschap als een betrouwbare bron van informatie. Als je kan doen alsof je wetenschappelijk bent, heb je een streepje voor op denkbeelden die dat niet doen. Dat betekent niet dat mensen zomaar alles geloven wat hen wordt voorgeschoteld, want we kunnen verwachten dat we mechanismen ontwikkeld hebben om betrouwbare informatie te onderscheiden van onbetrouwbare, zoniet vallen we ten prooi aan uitbuiting. Door wetenschapsimitatie lijkt de bron echter betrouwbaar en zijn we geneigd om de informatie te aanvaarden.

Er is nog een derde strategie, die vooral onderzocht is door Maarten Boudry. Pseudowetenschappen hebben één nadeel: ze zijn onwaar en dus kwetsbaar voor kritische weerlegging. Daardoor hebben ze de neiging om zich in te dekken tegen kritiek. Freud biedt hiervan veel voorbeelden, waaronder de anekdote van een vrouw die zijn these tegensprak dat dromen verdrongen wensvervulling zijn. Ze had immers gedroomd dat ze op reis ging met haar schoonmoeder, terwijl ze die vrouw niet kan uitstaan. Waarop Freud heel slim antwoordde: ‘eigenlijk had je de verdrongen wens om mijn theorie te weerleggen.’ Een ander voorbeeld van immunisering tegen kritiek is de vaagheid van sommige concepten, waardoor je altijd kan verspringen tussen interpretaties en je jezelf nooit vastpint. ‘Energie’ is zo’n concept. Of neem mensen die beweren over telepathische krachten te beschikken, maar die krachten werken helaas niet als er een kritische observator aanwezig is. Vaak geloven zij wat ze zeggen, omdat ze voortgaan op hun ervaring, maar de eigen ervaring is helaas geen goede leidraad. Mensen kunnen immers op veel manieren in de fout gaan.

Wetenschap komt dus niet van nature?
Dat klopt, maar tegelijk wordt ze bedreven door geëvolueerde breinen. Wat maakt dat mensen wetenschappelijke concepten kunnen bedenken en aan wetenschap kunnen doen? Ons brein is van nature met bepaalde mechanismen uitgerust. Die moeten op een bepaalde manier aangewend worden, zoniet kom je tot religieuze concepten. Je moet dus dingen in de omgeving veranderen, en dat is wat gebeurt in wetenschap. We gebruiken allerlei opstapjes voor ons denken: statistiek, metaforen zoals natuurlijke selectie (naar analogie met kunstmatige selectie), technologieën zoals telescopen en microscopen, en andere mechanismen waardoor we onze natuurlijke beperkingen kunnen overstijgen, zoals de arbeidsverdeling binnen wetenschappelijke gemeenschappen.

Wetenschappelijk denken verschilt eigenlijk niet zo radicaal van alledaags denken. Volgens wetenschapsfilosofe Susan Haack komt het neer op ‘gezond verstand, alleen meer van dat’. Wetenschappers hebben geen ander brein dan dat van andere mensen, maar ze creëren en werken in een omgeving waar ze tot veel meer in staat zijn. Neem het eenvoudige voorbeeld van een microscoop. Wij kunnen bacteriën normaliter niet zien, en via de microscoop kan dat plots wel. We gebruiken onze ogen zoals anders, maar plots hebben we ‘meer van dat’. En dat geldt voor alle wetenschappen.

Stefaan Blancke is als filosoof verbonden aan de Central European University Budapest en de Universiteit Gent. Binnenkort gaat hij als universitair docent aan de slag bij de Universiteit van Tilburg, waar hij wetenschaps- en bewustzijnsfilosofie zal doceren. Hij publiceerde meer dan twintig artikelen in internationale wetenschappelijke tijdschriften, over wetenschap, pseudowetenschap, religie en culturele evolutie, en hij is co-redacteur van de bundels Creationism in Europe (Johns Hopkins UP, 2014) en Perspectives on Science and Culture (Purdue UP, 2018).
 
 
Wil je de papieren versie van De Geus thuis ontvangen? klik hier voor meer informatie.