SEPTEMBER 2018

EEN KRITISCHE REFLECTIE OVER DE FINANCIERING VAN MILITAIR ONDERZOEK


@Vredesactie
   

Afgelopen voorjaar richtte Vredesactie een open brief aan minister Muyters en minister-president Bourgeois. Deze brief werd mee ondertekend door verschillende onderzoekers en gaf uitdrukking aan een gedeelde bezorgdheid om de mogelijke afschaffing van de zogenaamde IWT-richtlijn, die bepaalt dat er geen overheidsgeld mag gaan naar militair onderzoek. Agoria, de vereniging van Belgische technologiebedrijven, had aangestuurd op de herziening van deze richtlijn.  

Cui bono?


Pieter Present
   

Het IWT (Instituut voor Innovatie door Wetenschap en Technologie), sinds enkele jaren ondergebracht bij het Agentschap Innoveren & Ondernemen, verschaft onder andere fondsen voor sterk toepassingsgericht onderzoek, vaak in samenwerking met de industrie. De genoemde richtlijn (ook richtlijn Van den Brande genoemd) voorkomt dus dat er belastingsgeld wordt gebruikt om bijvoorbeeld de ontwikkeling van wapens en ander militair onderzoek te financieren.

De interventie van Agoria moet op haar beurt begrepen worden in de context van ontwikkelingen op Europees niveau. In 2016 zette de Europese Unie de eerste stappen in de uitwerking van een militair onderzoeksprogramma met de Preparatory Action on Defence Research (PADR). De Europese Commissie stelt voor om op termijn een Europees Defensiefonds op te richten waarbij meer dan 13 miljard euro naar onderzoek en ontwikkeling van wapens zou gaan.

In een recent rapport door Vredesactie wordt aangetoond hoe de wapenlobby een bepalende invloed heeft gehad op het proces dat leidde tot deze beslissing. De plannen voor het Europees Defensiefonds zijn bijgevolg op maat gesneden van de wapenindustrie. Wat eveneens duidelijk wordt uit het rapport is het schrijnende gebrek aan democratische controle.

Ook in de Vlaamse context lijkt niet iedereen overtuigd van de noodzaak van een publiek debat. Als antwoord op een vraag over de kwestie in de Commissie voor Economie, Werk, Sociale Economie, Innovatie en Wetenschapsbeleid verwees minister Muyters (N-VA) dan ook naar de Europese ontwikkelingen om een inhoudelijk debat bij voorbaat van tafel te vegen: ‘Ik zou willen dat we mee zijn met het level playing field dat in Europa wordt gevonden. Als we daar niet mee zijn, moeten we een eigen beleid gaan ontwikkelen. En dat lijkt mij geen goede zaak.’ Waarom het geen goede zaak is om een eigen beleid te ontwikkelen, maakt minister Muyters echter niet duidelijk.

Gegeven het gebrek aan een diepgaand publiek debat over het Europese defensiebeleid wil ik in deze tekst enkele kritische reflecties bieden vanuit een wetenschapsfilosofisch perspectief. 

SOCIALISEREN VAN HET RISICO, PRIVATISEREN VAN DE WINST

Het door de Europese Unie geplande militaire onderzoek wordt gefinancierd met belastinggeld. Hierdoor heeft de EU als overheid een verantwoordelijkheid ten opzichte van de belastingbetaler om ervoor te zorgen dat het gefinancierde onderzoek een bijdrage levert aan de samenleving.

Een eerste manier waarop dit kan gebeuren is financieel. Onderzoek financieren kan dan gezien worden als een investering. Bij technologisch onderzoek kan een nieuw ontwikkelde technologie bijvoorbeeld leiden tot het verwerven van patentrechten en het op de markt brengen van nieuwe producten, waarvan de verkoop ook weer geld oplevert.

Wanneer we kijken naar de plannen van de Europese Unie, zien we dat dit financiële argument een grote rol speelt. Zoals vermeld in de inleiding had de wapenlobby een immense invloed op het uitwerken van deze plannen. Het mag dan ook niet verbazen dat deze uitsluitend de financiële belangen van de wapenindustrie dienen.

Zo heeft men verkregen dat de EU het onderzoek voor 100% financiert terwijl de industrie wel de volledige intellectuele eigendomsrechten blijft bezitten van de ontwikkelde technologie. Onderzoek houdt altijd een risico in: verwachte resultaten blijven soms uit, experimenten kunnen mislukken. De motivatie die vaak gegeven wordt voor het toekennen van intellectuele eigendomsrechten is dat dit bedrijven en onderzoekers aanspoort om toch risico te lopen. Een geslaagde en gepatenteerde ontdekking kan namelijk de mogelijke mislukkingen meer dan compenseren.

Wat we in het Europese plan echter zien, is een socialisering van het risico en het privatiseren van de winst: de samenleving betaalt de kosten van het risicovolle onderzoek, eventuele winsten worden volledig opgestreken door privébedrijven. Het cynische aan de Europese plannen is dat de enige klanten van de wapenindustrie natiestaten zijn. Gecombineerd met de verhoogde defensiebudgetten die ook in de plannen opgenomen zijn, komt dit erop neer dat Europa betaalt voor de aankoop van militair materiaal dat ze zelf heeft gefinancierd. Onder invloed van de wapenlobby heeft de EU zich er dus toe verbonden twee maal te betalen en laat ze de industrie toe om alle winst te incasseren.

Een ander vaak gehoord argument is het zogenaamde spin-off argument. Spin-offs zijn technologieën en producten die afgeleid zijn van militaire technologieën en zo op de civiele markt terechtkomen. Voorstanders verwijzen naar technologieën als GPS en het internet. Investeringen in militair onderzoek komen in deze visie de samenleving onrechtstreeks ten goede, omdat ze kan genieten van de afgeleide producten die uiteindelijk uit dit onderzoek zullen voortkomen.

Dit argument vertrekt vanuit de vooronderstelling dat deze technologieën er enkel via militair onderzoek zouden gekomen zijn. Er is echter geen reden om aan te nemen dat het onmogelijk is om dezelfde technologieën via niet-militair onderzoek te ontwikkelen. Wie de financiering van militair onderzoek wil verdedigen door naar mogelijke spin-offs te verwijzen, moet dan ook argumenteren waarom het de moeite loont een omweg te maken via militair onderzoek in plaats van rechtstreeks in te zetten op de ontwikkeling van deze technologieën in een niet-militaire context. Los daarvan zijn er ook historische redenen om te twijfelen aan de militaire oorsprong van technologieën die vaak als spin-offs worden voorgesteld, zoals het internet.

KENNISPRODUCTIE: WAT VOOR ONDERZOEK WILLEN WE?

Een andere manier waarop het financieren van wetenschappelijk onderzoek een bijdrage kan leveren aan de maatschappij is door het produceren van kennis. De Europese Unie stelt het voorgestelde militaire onderzoek voor als een antwoord op de noodzaak een Europees veiligheids- en defensiebeleid te ontwikkelen. Hiermee heeft de EU echter een aantal denkstappen overgeslagen.

Om te beginnen gaat men uit van de vooronderstelling dat de geplande onderzoeksrichting (waarover straks meer) het enige en juiste antwoord is. Zelfs indien men aanvaardt dat het uitwerken van een veiligheids- en defensiebeleid een van de meest dringende uitdagingen is waarmee de huidige EU geconfronteerd wordt, impliceert dit niet dat het financieren van privaat militair-industrieel onderzoek de logische volgende stap is.

Eerst en vooral dient men uit te maken wat voor soort beleid men voor ogen heeft, wat een politieke vraag is. Afhankelijk van hoe deze politieke vraag beantwoord wordt, is de tweede vraag hoe dit beleid het beste in praktijk kan worden gezet. Hiervoor is kennis nodig, waar wetenschappelijk onderzoek een bijdrage kan leveren. Het soort kennis dat men hiervoor nodig heeft is niet alleen militair van aard, maar ook economisch, sociologisch en – afhankelijk van het antwoord op de eerste vraag – ook ecologisch. De bedoeling van dit onderzoek is te komen tot een zo goed mogelijke inschatting van de manier waarop het uitgetekende beleid uitgevoerd kan worden. Dit laat toe om geïnformeerde keuzes te maken, waarbij (in het ideale geval) verschillende opties afgewogen en met elkaar vergeleken worden.

Wat men nu echter ziet, is een compleet gebrek aan politieke visie. Iedereen lijkt het er over eens te zijn dat er een Europees veiligheidsbeleid moet komen, maar niemand stelt zich de verdere vraag wat dit beleid dan zou moeten inhouden. Het wetenschappelijk-technologisch onderzoek dat in de pijplijn zit, is bovendien ook niet van dien aard dat het kennis oplevert die bijdraagt aan het beter uitvoeren van een politiek beleid of helpt in het uittekenen ervan. Het vertrekt eerder van de aanname dat militair onderzoek door de privéindustrie het enige mogelijke antwoord is. Andere manieren om een veiligheidsbeleid uit te denken worden bij voorbaat uitgesloten.
De reden hiervoor heeft weer te maken met de invloed van de wapenlobby op de plannen. Ironisch genoeg werd deze analyse reeds gemaakt in een door de EU zelf besteld onderzoek. Het zijn dus eerder de bedrijven die zowel het beleid als het onderzoek bepalen, in plaats van de EU.

Deze bedrijven werken bovendien met een winstgerichte marktlogica, niet vanuit een politiek of maatschappelijk engagement. Concreet wil dit zeggen dat hun (onderzoeks-)activiteiten gericht zijn op het maximaliseren van hun eigen winst, niet op het oplossen van maatschappelijke problemen of het uitvoeren van een politiek beleid.

De marktlogica van de wapenindustrie en de belangen van de Europese Unie op vlak van veiligheid liggen niet noodzakelijk in dezelfde lijn, vaak integendeel. Een agressieve en militaire houding in de internationale politiek is altijd positief voor de winsten van de wapenindustrie, maar niet noodzakelijk voor de veiligheid van de Europese Unie en haar burgers. Zo zou een politiek analist kunnen argumenteren dat een agressief militair buitenlands beleid contradictorisch is, aangezien dat de migratiestromen waar de EU eveneens haar bezorgdheid over uitdrukt zou doen toenemen. Dergelijke overwegingen spelen bij de wapenindustrie echter geen rol. Integendeel: aangezien zij ook meer en meer invloed heeft op en ingezet wordt in grensbewaking, heeft ze zelfs baat bij extra druk op de Europese grenzen.

TECHNOLOGIE IS NIET NEUTRAAL

Dit brengt mij tot een laatste punt, namelijk de concrete inhoud van het gefinancierde onderzoek en de impact van de technologie die ontwikkeld wordt. Men zou namelijk nog kunnen opperen dat de ontwikkeling van die technologie losstaat van de toepassing ervan. Met andere woorden: ook al heeft de industrie invloed gehad op de processen die geleid hebben tot bepaalde technologie, het zijn uiteindelijk nog altijd de Europese regeringen die beslissen om die al dan niet in te zetten in militaire operaties.

De politieke autonomie komt niet in het gedrang, omdat het gebruik van de technologie nog altijd een politieke beslissing vereist. Dit argument werd bijvoorbeeld in de Vlaamse context gebruikt door Matthias Diependaele (N-VA). Hij pleitte enerzijds voor de noodzaak om militaire technologieën te ontwikkelen, maar anderzijds ook om er voor te waken dat ze ‘alleen maar zullen worden gebruikt om de juiste redenen.’

Deze visie gaat uit van het idee dat technologie neutraal is en dat het gebruik ervan volledig bepaald wordt door autonome menselijke beslissingen. In de techniekfilosofie hebben verschillende denkers kritiek geleverd op dit idee. Deze denkers wijzen er op dat technologie een invloed heeft op onze handelingsmogelijkheden. Dit lijkt op het eerste zicht vanzelfsprekend, omdat technologie ons toelaat dingen te doen die voorheen niet mogelijk waren. Mobiele telefonie laat ons bijvoorbeeld toe om overal en altijd met elkaar in contact te staan.

Maar technologie heeft ook een subtielere invloed op onze handelingsmogelijkheden in de zin dat het bepaalde handelingen vergemakkelijkt, en bijgevolg andere handelingsopties minder aantrekkelijk maakt. Men hoeft niet ver te zoeken om concrete voorbeelden te vinden van de verregaande gevolgen die dit kan hebben op onze gewoontes en handelingen. Een smartphone is niet alleen een middel om mensen te contacteren, maar ook een heel gemakkelijke manier om afleiding te zoeken. Waar men vroeger nog de moeite moest doen om een computer te vinden en op te starten om doelloos rond te surfen op het internet, heeft men die mogelijkheid nu (letterlijk) altijd bij de hand. Bijgevolg groeien de meldingen van smartphone-verslavingen en de perceptie van een afgenomen concentratievermogen bij problematische gebruikers.
David Morrow verklaart deze specifieke invloed van technologie aan de hand van de menselijke neiging om gemakkelijk te verkrijgen directe voordelen te verkiezen boven moeilijker te verkrijgen voordelen in de toekomst. De keuze gaat naar de gemakkelijkste, niet naar de meest duurzame keuze. In het geval van de smartphone: kijken naar kattenfilmpjes op YouTube wint het van je oprechte voornemen om meer aandacht te hebben voor je omgeving.

Dit wil uiteraard niet zeggen dat alle technologie slecht is, wel dat we waakzaam moeten zijn voor de mogelijke invloed die de introductie van een bepaalde technologie kan hebben op onze keuzes en ons handelen. Wanneer we kijken naar het onderzoek dat gepland en uitgevoerd wordt in het kader van de Europese plannen zijn er wel degelijk redenen om waakzaam te zijn.

In een eerste ronde van door de EU gefinancierd onderzoek lag de nadruk op onderzoek naar de ontwikkeling van autonoom opererende militaire systemen en drones. Deze nadruk op automatisering en ontwikkeling van drones lijkt ook de richting te zijn die toekomstig onderzoek zal ingaan.

De technologieën die zo ontwikkeld worden verlagen de drempel tot het aangaan van een conflict. Het gebruik van menselijke strijdkrachten in ‘klassieke’ oorlogvoering zorgt voor een bepaalde terughoudendheid door de risico’s die verbonden zijn met interventies en de verantwoording die politici daarvoor moeten (kunnen) afleggen. Zij moeten het inzetten van hun landgenoten kunnen verantwoorden en dus ook de baten van een geslaagde actie afwegen tegen de kosten van mogelijke slachtoffers. Bij het gebruik van drones valt de noodzaak van deze afweging weg, waardoor de drempel om een interventie te doen kleiner wordt. Bovendien zorgt de automatisering van de militaire technologie voor een verdere afstand tussen menselijke beslissingen en de doden die vallen aan de hand van gebruikte wapens.

Vroeger kon je nog proberen om mensen ter verantwoording te roepen bij het gebruik van disproportioneel geweld en wanneer er burgerslachtoffers vielen. Tegenwoordig ligt het argument van ‘een spijtig, maar onvoorzien technologisch falen’ voor het grijpen om zich van elke verantwoordelijkheid te ontdoen. Ook hier kan dus verwacht worden dat de technologie leidt tot een keuze voor de (gegeven de beschikbare technologie) gemakkelijkste, maar niet de duurzaamste manier van handelen.

CONCLUSIE

Verschillende rapporten wijzen op het gebrek aan democratische controle op beslissingen over het defensiebeleid en financiering van militair onderzoek op Europees niveau.

De retoriek van de voorstanders stelt deze ontwikkelingen voor als een vanzelfsprekend antwoord op de nood aan een Europees veiligheidsbeleid. In de Vlaamse context hanteerden voorstanders van het schrappen van de IWT-richtlijn dezelfde retoriek.

Deze keuze is echter allesbehalve vanzelfsprekend. Gezien de mogelijkheid om duurzamere alternatieven te onderzoeken in de uitbouw van een Europees defensie- en veiligheidsbeleid en de risico’s die verbonden zijn met de militaire technologie die nu ontwikkeld wordt, is het hoog tijd voor een publiek debat. In een brochure uit 2006 hanteert het IWT de slogan ‘Verander de wereld voorgoed’. Laat het sneuvelen van de IWT-richtlijn gebruiken om ten gronde na te denken over wat voor soort veiligheidsbeleid en wat voor soort wetenschappelijk onderzoek we willen, zodat de slogan van het IWT voor ons nageslacht geen cynische bijklank krijgt. 


Over de auteur
Pieter Present is wetenschapsfilosoof. Hij doctoreert bij het Centrum voor Logica en Wetenschapsfilosofie aan de VUB, en is lid van het Slow Science Network, een interuniversitair platform dat nadenkt over de rol van academici in de 21e eeuw.
 
 
Wil je de papieren versie van De Geus thuis ontvangen? klik hier voor meer informatie.