NOVEMBER 2014

PREHISTORISCHE BREINEN IN EEN 21E-EEUWSE SAMENLEVING - Johan Braeckman


©Banksy

   

Het omtoveren van brave huisvaders tot massa-moordenaars blijkt NIET buiten-gewoon lastig

In het Bijbelse boek ‘Exodus’ laat God tien plagen op Egypte los, als straf omdat de Farao de Israëlieten niet toestond het land te verlaten. Hij doet water in bloed veranderen, zorgt voor een kikker-, luizen- en steekvliegenplaag, laat mensen zweren krijgen en stuurt hagel en sprinkhanen op hen en hun gewassen af. Plezant was dat wellicht allemaal niet.

Johan Braeckman

 
Sommige van die plagen klinken ons bekend in de oren en veroorzaken ook nu nog grote problemen, hagel en sprinkhanen bijvoorbeeld, maar andere klinken nogal geforceerd. Water dat in bloed verandert, en een teveel aan kikkers? Hoe dan ook, het zijn plagen die van buitenaf komen en waar mensen, toentertijd in elk geval, eerder machteloos tegenover stonden. Opvallend is de blindheid die de auteur van Exodus had voor plagen die van binnenin de mens lijken te komen. De Bijbel, in het bijzonder het Oude Testament, is bijwijlen een lange aaneenschakeling van stamoorlogen, massamoorden en genocides. De haat die mensen van de ene groep kunnen ontwikkelen tegenover die van een andere groep wordt evenwel niet als een plaag of straf beschreven, maar eerder als verdienstelijk. Hele steden worden uitgemoord, vrouwen en kinderen incluis, telkens onder het goedkeurende oog van Jahweh, die nu eens de ene dan weer de andere groep het onderspit laat delven. Het wemelt in het Oude Testament van de bloeddorstige, xenofobe, racistische en seksistische mannen die als helden worden afgeschilderd. Nergens wordt geklaagd over hun bijwijlen volslagen immoreel gedrag naar buitenstaanders toe. Integendeel: wie kwaad doet aan mensen die tot andere groepen behoren, doet blijkbaar automatisch iets goed voor de leden van de eigen groep.
 

DOODGEWONE MANNEN

Zelfs wie bijzonder optimistisch is over de morele vermogens van de mens kan er niet omheen: ook moreel volslagen onbesproken mensen lijken relatief makkelijk in staat om een mentale knop om te draaien jegens mensen van buiten de groep. De historicus Christopher Browning illustreerde dit op onvergetelijke wijze in zijn studie Doodgewone mannen (1992). Vijfhonderd mannen van het reservebataljon 101 kwamen op 13 juli 1942 ’s ochtends aan in het Poolse dorp Jozefow. Hun leider was majoor Wilhelm Trapp. Hij legde aan zijn mannen uit dat hun opdracht eruit bestond alle Joden van het dorp te isoleren. De werkbekwame mannen zouden naar kampen in Lublin worden gestuurd. Alle anderen, vrouwen, kinderen, ouderen en zieken moesten ze afvoeren naar de bossen en afmaken met een schot in het achterhoofd. Trapp gaf zijn opdrachten duidelijk tegen zijn zin, maar het bevel kwam van hogerhand. Hij wees erop dat de taak bijzonder onprettig was, maar dat niemand verplicht was om mee te werken. Wie dat wou kon zonder het risico op bestraffing weigeren om te moorden. Slechts een twaalftal mannen stapte er op dat moment uit. In de loop van de dag waren er nog een paar die duidelijk maakten de taak niet aan te kunnen. De overgrote meerderheid werkte de hele dag naarstig door. Tegen de avond waren vijftienhonderd Joden dood, het begin van een zestien maanden durende moordpartij waarbij 38.000 Joden door reservebataljon 101 werden vermoord. Nog eens 45.000 mensen werden door de daders richting het vernietigingskamp Treblinka gestuurd. In de loop der maanden was er nog een aantal mannen dat aangaf het niet langer aan te kunnen, maar de meerderheid van het bataljon werd steeds beter in het moorden en vond gaandeweg manieren om het efficiënter en minder onaangenaam te maken. Een minderheid van de moordenaars hield oprecht van het werk dat ze deden: sadisten, psychopaten en ideologisch overtuigde nazi’s die, zoals men dat aangaf in Nazi-Duitsland, ‘naar de Führer wilden toewerken’. Maar de meerderheid van de moordenaars bestond uit ‘doodgewone mannen’: mannen die in normale omstandigheden niet tot excessief geweld in staat lijken. Bakkers, timmerlieden, ambtenaren. Huisvaders die eigenlijk niet echt in politiek geïnteresseerd waren en zich zeer waarschijnlijk vooraf niet konden voorstellen dat ze tientallen tot honderden mensen die hen nooit een strobreed in de weg hadden gelegd zonder al te veel scrupules zouden vermoorden.
   

DE MENSELIJKE NATUUR

Hoe kunnen we dit begrijpen? Er zijn meerdere pogingen ondernomen om het waanzinnige en extreem immorele gedrag van deze honderden, en bij uitbreiding tien- tot honderdduizenden ‘doodgewone Duitse mannen’ (en een niet gering aantal vrouwen) te doorgronden. De daders zelf gaven achteraf vaak aan dat ze onder dwang hadden gehandeld. ‘We moesten dit doen, anders werden we zelf doodgeschoten, of zou onze familie worden opgepakt.’ Onderzoek wees uit dat die uitleg hoegenaamd niet klopte. Het kan natuurlijk dat velen ervan overtuigd waren dat die represailles voor hun desertie reëel waren, ook al waren ze vermeend. Maar de leden van reservebataljon 101 wisten wel degelijk dat ze zich ongestraft konden terugtrekken. Een andere verklaring is cultureel-historisch: Duitsland werd eeuwenlang blootgesteld aan antisemitische propaganda, waardoor de gebeurtenissen van de jaren dertig en veertig vrijwel onvermijdelijk waren. Het was enkel wachten op het gepaste regime en de geschikte man, een Führer die in die context de juiste psychologische registers bespeelde. Nog een andere benadering grijpt terug naar een aantal klassieke studies uit de sociale psychologie. Uit de experimenten van onder meer Solomon Asch, Stanley Milgram en Philip Zimbardo blijkt dat een meerderheid van mensen onder groepsdruk al snel overgaat tot handelingen die buiten het normale verwachtingspatroon vallen, zowel van zichzelf als van buitenstaanders. Zo vroeg Stanley Milgram in 1963 aan zijn proefpersonen om elektroshocks toe te dienen aan iemand die foute antwoorden gaf op de vragen van de proefleider. De elektroshocks waren niet echt en het gehuil en gejammer van degene die de antwoorden gaf was vooraf opgenomen, maar dat wisten de proefpersonen niet. Bij elk fout antwoord werd het voltage opgedreven, tot het op een bepaald moment een dodelijk niveau bereikte. De proefpersonen waren daarvan op de hoogte. Toch ging een meerderheid door met het toedienen van shocks, zelfs verder dan het lethale voltage, omdat ze gewillig luisterden naar wat de proefleider hen vroeg. Het is vrijwel ondenkbaar dat die proefpersonen vooraf zouden aangeven dat ze tot het doden van een mens in staat zijn, binnen de context van een eerder banale psychologische studie (Milgram beweerde dat hij het effect van straffen op de werking van het geheugen wou testen). Zeer interessant is ook dat Milgram, op het moment dat hij de studie nog niet had uitgevoerd en dus zelf niet wist hoeveel proefpersonen zouden doorgaan met het toedienen van elektroshocks, aan zijn collega’s vroeg hoe zij het resultaat inschatten. Vrijwel allemaal waren ze ervan overtuigd dat slechts een kleine meerderheid, hoogstens twee procent, de dodelijke dosis zou willen toedienen. In realiteit draaide de uitkomst rond de 65 procent. Dat geeft op zijn minst reeds aan dat men toentertijd niet zoveel afwist van een cruciaal onderdeel van de menselijke natuur. Van psychoanalytici tot behavioristen: ze hadden geen flauw benul van de te verwachten uitkomst van Milgrams experiment. Al even verrassend, maar op het eerste gezicht misschien minder dramatisch, waren de resultaten van de experimenten uit de jaren vijftig van Solomon Asch, een leermeester van Stanley Milgram. Asch liet een groepje medewerkers, die zich voordeden als proefpersonen, manifest foute antwoorden geven op simpele vragen, bijvoorbeeld omtrent de lengte van een lijnstuk. Het bleek dat een flink deel van de echte proefpersonen zich conformeerden aan de meerderheid, en eveneens het foute antwoord gaven. Werkzaam in dezelfde traditie als Asch en Milgram, stelde Philip Zimbardo in 1971 vast dat het relatief eenvoudig is om mensen willekeurig op te delen in groepen, waarna ze zich al snel gaan gedragen volgens de verwachtingen die met hun groep geassocieerd worden. Concreet splitste hij een groep vrijwilligers op in een groep ‘gevangenen’ en een groep ‘bewakers’, en bracht ze onder in een nagebouwde gevangenis in de universiteit van Stanford. Reeds na enkele dagen diende hij het experiment af te breken: de gevangenen gedroegen zich te onderdanig en de bewakers te agressief en gewelddadig.
 

Je ziet de jongens in je buurt op straat spelen en genieten van het leven en ik als meisje mocht in het beste geval enkel toekijken


GROEPSCONFORMISME

Het leidt geen twijfel dat sociaalpsychologen zoals Asch, Milgram en Zimbardo, en sedertdien een hele resem andere onderzoekers, iets bijzonder belangrijk op het spoor zijn. Het omtoveren van brave huisvaders tot massamoordenaars blijkt niet zo buitengewoon lastig. Het is een contra-intuïtieve opvatting, maar alleen al het aantal en de aard van de genocides van de voorbije honderd jaar maakt het pijnlijk duidelijk. Elk van de verschillende verklaringen die pakweg de voorbije zestig jaar geopperd zijn spelen allicht een rol, maar doorslaggevend is één basisaspect: we zijn groepsdieren, met een sterk verlangen tot conformisme binnenin de eigen groep. Dat sluit niet uit dat mensen zich net sterk willen differentiëren van andere groepen. Integendeel, conformisme en differentiatie zijn twee zijden van dezelfde medaille. De punkbeweging deed haar uiterste best om af te wijken van de rest van de samenleving, maar elke punker stopte veel moeite in het imiteren van de looks van andere punkers. Religieuze groeperingen willen zich vaak zoveel mogelijk afscheiden van de maatschappij waarin ze zich bevinden, onder meer door kledingvoorschriften, rituelen en dieetregels in te voeren die buitenstaanders vreemd of absurd vinden, maar die voor een sterke interne coherentie zorgen. Het is ironisch dat maatschappelijk afwijkend gedrag – van punkers en anarchisten tot religieuze sekten – de psychologische dynamiek van groepsconformisme zo sterk blootlegt.
 

DARWIN EN ONZE PSYCHOLOGISCHE INFRASTRUCTUUR

Sedert de opkomst van de evolutionaire psychologie enkele decennia geleden wint de hypothese veld dat we dergelijk fundamenteel menselijk gedrag mede kunnen begrijpen vanuit darwinistisch oogpunt. Onze psychologie, net zoals pakweg onze anatomie en morfologie, is het resultaat van honderdduizenden jaren evolutie. Het voornaamste werktuig van de evolutie is natuurlijke selectie: een blind en ongericht mechanisme dat, over vele generaties heen, voor adaptaties zorgt zoals kniegewrichten, hartkleppen en vingerkootjes. Natuurlijke selectie gaf ook onze hersenen vorm en het brein is uiteraard het orgaan dat onze psychologische vermogens mogelijk maakt. Er is geen goede reden om te stellen dat onze psychologische infrastructuur niet evenzeer het resultaat is van evolutie door selectie. Ook onze emoties en tal van andere mentale vermogens kunnen we vanuit darwinistische invalshoek begrijpen. Meer bepaald: ze bieden functionele mogelijkheden en hebben in meer of mindere mate een positief effect op onze evolutionaire fitness. Dat houdt in dat ze onze kansen op overleven vergroten en bijgevolg ook op het reproduceren van ons genetisch materiaal. Angst is een evident voorbeeld: wie in de prehistorie geen angst kende toen een sabeltandtijger in de buurt was, liet gemiddeld genomen minder nakomelingen na dan wie een gezonde dosis angst ervoer en wegvluchtte. Diezelfde logica kunnen we ook op onze groepspsychologische capaciteiten toepassen. Het loonde om de leden van de eigen groep te helpen en te steunen, aangezien diezelfde groepsleden ook jou kunnen bijstaan. Vandaag deel ik mijn voedsel met jou, morgen deel jij het jouwe met mij. Voor ruim 99 procent van onze evolutionaire geschiedenis leefden we in groepen van enkele tientallen tot maximum honderdvijftig mensen. De groep waartoe men behoorde was klein genoeg om iedereen persoonlijk te leren kennen en om de dynamiek van wederkerig altruïsme op gang te houden, wat dan weer de samenhang van de groep versterkt. Vandaag heb ik een overschot aan voedsel, wat ik weggeef aan mijn groep. Morgen heb ik voedsel te kort, maar ontvang ik een deel van het overschot van een ander groepslid. Deze evolutionair aangestuurde logica leidde tot enkele van de beste menselijke eigenschappen, zoals altruïsme, empathie, vriendschapsbanden, samenwerking en samenhorigheid. Helaas is er een keerzijde: onze bewonderenswaardige eigenschappen werken vooral binnenin de eigen groep. Ze doen het heel wat minder goed naar externen toe. Sterker nog, het wordt binnen de groep vaak zelfs afgekeurd als het altruïsme of de empathie van een groepslid zich uitstrekt naar leden toe van een andere groep. Het is erg goed voor je reputatie om je voedsel te delen met leden van de eigen groep, maar hetzelfde altruïsme naar leden van een andere groep toe wordt eerder afgekeurd. In de prehistorie, de lange periode waarin onze psychologische vermogens de vorm kregen die ze nog steeds hebben, loonde het bevorderen van altruïsme naar binnen en van egoïsme naar buiten toe. Groepen die een minder sterke interne band hadden, deden het op lange termijn minder goed. Het probleem is dat wat werkte in de prehistorie, niet noodzakelijk ook vandaag nog nuttig of wenselijk is. Vaak is wellicht het tegendeel het geval. Onze psychologische gereedschapskist is de voorbije twintigduizend jaar niet fundamenteel veranderd. Maar onze samenleving daarentegen, ziet er in de 21e eeuw radicaal anders uit dan in de periode dat de grotten van Lascaux en Altamira werden beschilderd. We leven niet meer in groepjes van enkele tientallen mensen, maar in grootsteden. De moderne technologie laat ons fundamenteel anders communiceren en brengt ons in contact met mensen van over de hele wereld, met geheel andere opvattingen en een andere waardenhiërarchie. We zijn niet langer beperkt tot onze vaak onbetrouwbare zintuigen en ons kwetsbare geheugen om kennis op te doen en te behouden. We hebben wetenschap, boeken en computers. Het is dankzij ons brein dat we dit alles hebben, maar datzelfde brein functioneert in meerdere opzichten nog zoals in het Pleistoceen. Het is veel eenvoudiger om kinderen schrik aan te jagen voor wilde dieren die ze, behalve in de dierentuin, nooit tegenkomen dan voor moderne gevaren zoals auto’s, elektrische apparaten en chemische stoffen. We vertrouwen nog steeds meer op wat onze beste vriend ons vertelt over iets waarvan hij eigenlijk geen verstand heeft, dan op wetenschappelijke studies. We zoeken nog steeds spontaan bovennatuurlijke krachten en oorzaken achter het bestaan van de kosmos en de mens en hebben moeite om te begrijpen dat natuurlijke verschijnselen gebeuren zonder reden of intentie. We zijn vanuit het stenen tijdperk naar een wereld gekatapulteerd die televisie, internet en kernwapens heeft. Het is natuurlijk niet onmogelijk om daar moreel correct en redelijk mee om te gaan. We hebben tenslotte, om maar enkele voorbeelden te geven, wetenschap, democratie, mensenrechten en een internationaal gerechtshof ontwikkeld. Maar de stroom aan gruwel en irrationalisme waarover de media dagelijks berichten illustreert hoe moeilijk het voor honderden miljoenen mensen is om hun pleistocene psychologie te domesticeren. Een deel van de oplossing houdt ongetwijfeld de kennismaking in met de inzichten van de sociaal- en evolutiepsychologische studies die ik aanhaalde. Zoals reeds uit het gesprek tussen Socrates en Critias in Plato’s dialoog Charmides naar voren kwam: zelfkennis is het begin van alle wijsheid.

   
     
Wil je de papieren versie van De Geus thuis ontvangen? klik hier voor meer informatie.