MAART 2018

AARHUS ALS GROTE VOORBEELD?


Voordat een teruggekeerde strijder in aanmerking komt voor een dergelijk programma dient hij/zij aan twee voorwaarden te voldoen. De eerste voorwaarde houdt in dat de persoon in kwestie geen strafbare feiten in het buitenland heeft gepleegd. Als tweede voorwaarde stelt het model dat dergelijk individu geen risico voor de veiligheid mag vormen. ©AP

   

IS HET DEENSE DERADICALI-SERINGSMODEL HET OVERNEMEN WAARD?

Het Aarhusmodel, in 2007 ontstaan in de Deense stad Aarhus, is een unicum als het gaat om deradicaliseringsstrategieën. In dit model staat een preventieve aanpak gebaseerd op inclusie in de maatschappij centraal. Wat het Aarhusmodel uniek maakt is de sociaalpsychologische benadering van waaruit het vertrekt. In plaats van op een verwachte, repressieve manier op te treden tegen teruggekeerde foreign fighters, wordt er juist ingezet op inclusie en integratie. Tien jaar later kijken we met grote verwondering naar Aarhus dat zijn Syriëstrijders succesvol weet te integreren. Een succesformule die zonder meer gekopieerd kan worden in België?

 
Het Aarhusmodel maakt gebruik van zeven pijlers waaronder infohouse en dialogues. De pijler infohouse kan beschouwd worden als een informatiecentrum waar de gegevens over een mogelijks geradicaliseerd individu verzameld worden. De informatie wordt aangereikt door een reeks actoren waaronder politie, maatschappelijk werkers en leerkrachten. Dit centrum wordt bemand door politiepersoneel dat beoordeelt of er wel degelijk sprake is van radicalisering.

Het Aarhusmodel richt zich op herintegratie in de maatschappij

Dergelijk concept klinkt ons niet onbekend in de oren. Op de Belgische coördinatievergaderingen van OCAD (Orgaan voor Coördinatie en Analyse van de Dreiging) wordt eveneens overleg gepleegd door actoren als politie, parket en inlichtingendiensten. Vervolgens gebeurt de opvolging van teruggekeerde foreign fighters, op lokaal in plaats van nationaal niveau, net als in het Aarhusmodel. Deze taak wordt opgenomen door twaalf local task forces, één per gerechtelijk arrondissement. Ook hier ligt de coördinatie van het orgaan bij de politie en wordt er besproken welke maatregelen er, op lokaal niveau, kunnen worden genomen met betrekking tot de foreign fighters. Op vlak van informatiesturing en -vergaring wijken we in België dus niet eens zoveel af van het Deense succesmodel.
 

BETROKKENHEID

Het grootste verschil tussen de Belgische werking en de strategie zoals toegepast door het Aarhusmodel, is de betrokkenheid van het desbetreffende individu in het proces. Volgens de Belgische Privacywetgeving van 1992 moet de betrokkene vooraf in kennis worden gesteld bij het gebruik van persoonsgegevens. Wanneer de gegevens worden gebruikt door de overheid, is deze kennisgeving echter niet vereist. In principe zijn de hierboven besproken Belgische overlegorganen dus niet verplicht dergelijke procedure aan het individu kenbaar te maken. Het Aarhusmodel pleit daarentegen wel voor het informeren van de terugkeerder over de uitgevoerde risk-assessment en uitkomst ervan. Op dit vlak zou het Aarhusmodel dus wel een vernieuwing kunnen betekenen voor de Belgische deradicaliseringsaanpak.

   
Vaak heerst de opvatting dat een louter normatieve en wettelijke bestrijding van teruggekeerde foreign fighters de beste methode is. Repressie en afschrikking vergroot echter het risico op mobilisering door een verdere exclusie uit de maatschappij te bewerkstelligen. Ook het creëren van fysieke barrières, de tactiek van de Verenigde Staten bij het verhinderen van de mobilisatie van foreign fighters naar Irak, is geen constructieve oplossing. Hierbij schiet het Aarhusmodel te hulp. Het model introduceert het ‘exit programme’, dat zich specifiek richt op teruggekeerde, buitenlandse strijders en deze doelgroep tracht te herintegreren in de maatschappij. Voordat een teruggekeerde strijder in aanmerking komt voor een dergelijk programma dient hij/zij aan twee voorwaarden te voldoen. De eerste voorwaarde houdt in dat de persoon in kwestie geen strafbare feiten in het buitenland heeft gepleegd. Als tweede voorwaarde stelt het model dat dergelijk individu geen risico voor de veiligheid mag vormen.
 

Repressie en afschrikking vergroot het risico op mobilisering

BEDENKINGEN

Over de specifieke beoordeling van het individu is in het Aarhusmodel echter weinig informatie terug te vinden. Ook het onderscheid tussen de terugkeerde strijder die wel of geen strafbaar feit heeft gepleegd, komt als arbitrair over. Vooral omdat de laatste categorie niet in aanmerking komt voor een dergelijk exit-programma. Hierbij kunnen we dus de bedenking maken of Aarhus niet enkel zorgt voor de integratie van de niet-criminele teruggekeerde foreign fighter, en de andere ‘gevaarlijke categorie’ juist verder marginaliseert.

 

De eerste voorwaarde houdt in dat de persoon in kwestie geen strafbare feiten in het buitenland heeft gepleegd

Naast de opdeling tussen de criminele en de niet-criminele foreign fighter zoals in het Aarhusmodel, kan er echter nog een tweede onderscheid gemaakt worden. De definitie die ons het meest bekend is, is die van de foreign fighter die zijn thuis verlaat om te interveniëren in een conflictsituatie in het buitenland. Een tweede categorie van foreign fighters omvat echter strijders die een training in het buitenland krijgen en de aangeleerde technieken pas bij terugkeer toepassen. De verschuiving van de ‘traditionele foreign fighter’ uit de eerste categorie naar de fighter zoals beschreven in de tweede categorie, impliceert dat we in plaats van een onderscheid te maken op basis van reeds uitgevoerde feiten zoals in het Aarhusmodel, eerder dienen te focussen op de doelen die het individu nog voor ogen heeft. In het geval van de tweede categorie heeft de foreign fighter immers nog geen strafbaar feit gepleegd bij terugkeer.

 

De tweede voorwaarde is dat dergelijk individu geen risico voor de veiligheid mag vormen

Vaak wordt -zoals in het Aarhusmodel– vooral gefocust op overleg en dialoog met de verschillende moslimgemeenschappen. Naar overleg en dialoog binnen de moslimgemeenschappen zelf gaat echter minder aandacht. Psychosociaal begeleider Sofian El Bouazati benadrukte al eerder dat initiatieven, zoals Al-Miezaan, vanuit de moslimgemeenschap maar zelden de weg naar de media vinden. Het psychosociaal centrum Al-Miezaan, via hun facebookpagina omschreven als een instantie waar islamitische hulpverlening en dialoog centraal staan, focust zich op begeleiding rond levensvragen en psychosociale problemen, problematische opvoedingssituaties en een eerste hulp bij huwelijksproblemen. Meer publieke aandacht voor dergelijke initiatieven, kan dus ook nog een aanvulling betekenen voor het Aarhusmodel en de huidige Belgische deradicaliseringsstrategie.
 

DÉ TERUGGEKEERDE FOREIGEN FIGHTER

Een andere bedenking is dat het Aarhusmodel wordt toegepast om het fenomeen van de teruggekeerde foreign fighter aan te pakken. Maar bestaat er wel zoiets als dé teruggekeerde foreign fighter? En kan er bijgevolg wel een vast model worden ingezet bij de aanpak ervan? De term foreign fighter wordt voornamelijk in verband gebracht met Syriëstrijders. Het concept ontstond echter reeds in 1988 waar het door The Times werd gebruikt om te refereren aan Saoedische, Egyptische en Pakistaanse strijders die de Afghaanse Mujahedin een overwinning bezorgden door samen de pro-Sovjet regeringstroepen te verslaan. Pas na 9/11 werd het gebruik van de term foreign fighter echt populair. Ook hier werd de term niet in verband gebracht met Syrië maar gebruikt om naar strijders van al-Qaeda-groepen in Afghanistan te verwijzen. De term is echter niet exclusief voorbehouden voor een context van extremistische Islam. Zo is ze onder meer gebruikt om te refereren aan de Kroatische separatisten in hun strijd tegen de Joegoslavische regering in 1992.

   
Deradicaliseringsstrategieën zoals het Aarhusmodel dreigen in de val van ‘groupism’ te trappen door hun doelgroep als een homogene eenheid te beschouwen. Door een complex fenomeen als foreign fighters te simplificeren tot één doelgroep waarop gemakkelijk een bepaalde, universele strategie kan worden toegepast; wordt er voorbijgegaan aan de gecompliceerde verzameling aan actoren in een groep. Zo worden oudere leden voornamelijk gerekruteerd als gevolg van hun militaire ervaring terwijl de jongeren voornamelijk aangeworven worden op basis van motivatie en potentiële kwaliteiten. Inzicht in de werking van sociale media en kennis van het Engels, zijn voorbeelden van dergelijke kwaliteiten waar op zoek naar wordt gegaan bij potentiële jonge foreign fighters. Zowel deze ouderen als jongeren maken deel uit van dezelfde groep foreign fighters maar kunnen dus niet over dezelfde kam gescheerd worden. Door een actie vervolgens toe te schrijven aan één bepaalde groep zoals dé foreign fighters wordt het vermogen van individuen uit deze groep om onafhankelijk te handelen en hun eigen vrije keuzes te maken, volledig genegeerd.
   

MOTIVATIES

Een ander onderdeel van deze eenheidsval is de veronderstelling dat iedere foreign fighter vertrekt vanuit een religieus gedachtegoed. Naast religie spelen echter ook andere factoren en motivaties een rol. De belangrijkste rekruteringsmethode is het creëren van een gemeenschappelijk raakvlak. Dit raakvlak kan gebaseerd zijn op islam, maar dat is niet noodzakelijk het geval. Ook etniciteit kan een gemeenschappelijk draagvlak vormen. Onder meer de Britse academicus Anthony Smith beschrijft in zijn ethno-symbolische benadering drie methodes die worden toegepast bij rekrutering en eerder verbonden zijn aan etniciteit dan aan religie. Als eerste methode wordt bij rekrutering de ‘mythe van origine’ gehanteerd. Hierbij wordt een gemeenschappelijk, glorieus verleden van overwinning en zelfopoffering gecreëerd en gebruikt als draagvlak. De tweede methode is die van de ‘mythe van de uitverkorene’. De rekruten denken deel uit te maken van een gemeenschappelijke ‘sacred mission’ en als het ware uitverkoren te zijn deze te vervullen. Als derde strategie wordt door de recruiters een band op basis van een ‘gemeenschappelijk voorouderlijk thuisland’ gecreëerd en gebruikt bij de aanwerving van leden.

 

Een onderdeel van deze eenheidsval is de veronderstelling dat iedere foreign fighter vertrekt vanuit een religieus gedachtegoed

De keuze voor religie als basis voor rekrutering moet echter niet in de kenmerken van de religie worden gezocht maar wel in de manier waarop ze wordt beoefend. De moslimgemeenschap is, net zoals andere religieuze gemeenschappen, verbonden aan instituties. Doordat leden van deze instituties het gemeenschappelijke kenmerk ‘religie’ bezitten, is er als het ware een zekere voorselectie gemaakt voor potentiële recruiters. Zij kunnen bijgevolg vanuit religie vertrekken in het creëren van een gemeenschappelijk draagvlak. De voornaamste doelgroep van rekrutering is dan daarbij ook personen die zich nauw identificeren met deze instellingen van een gemeenschap, maar in de bredere samenleving eerder gemarginaliseerd worden als onderdeel van een minderheidsgroep. Via een emotief framework slagen de recruiters er dan ook in de potentiële strijders te doen geloven dat ze wel deel uitmaken van een community, en dat deze existentieel onder dreiging staat. Hun deelname is bijgevolg noodzakelijk om de community te redden.
 

De keuze voor religie als basis voor rekrutering moet niet in de kenmerken van de religie worden gezocht maar wel in de manier waarop ze wordt beoefend

Louise D'Eer    
 
Wil je de papieren versie van De Geus thuis ontvangen? klik hier voor meer informatie.