JANUARI 2018

HET WAS WEERAL GEHAKT


Anniek De Pauw: 'Tijdens gesprekken zal ik vooral een luisterend oor bieden, gevoelens benoemen, samen kijken naar hun zelfbeschikking en zelfredzaamheid. Ik merk dat mensen uitkijken naar mijn komst, als een soort van lichtpuntje. Ik kan niets oplossen of rechttrekken wat krom is, maar ik kan wel luisteren en er voor hen zijn.' ©Shutterstock

   

EEN WOON-ZORGCENTRUM DOOR DE OGEN VAN EEN VRIJZINNIG-HUMANISTISCH CONSULENT


De vrijzinnig-humanistisch consulenten van deMens.nu vind je niet alleen in de huizenvandeMens, bij het leger, in de gevangenissen en ziekenhuizen, maar natuurlijk ook in wat vroeger het rusthuis werd genoemd. We vroegen Anniek De Pauw wat haar job in de woon-zorgcentra inhoudt en met welke existentiële en psychische noden de bewoners die zij bezoekt zoal te kampen hebben. Een ontluisterend gesprek.

 
Kan je jouw ‘werk’ in een woon-zorgcentrum beschrijven? Wat doe je daar juist?
Ik ga op bezoek bij mensen die in een woon-zorgcentrum verblijven, op hun verzoek. Dat gebeurt meestal via een aanmeldingsformulier maar soms ook door verpleegkundigen. Het is belangrijk dat verpleegkundigen ons kennen en naar ons kunnen doorverwijzen.

De mensen die een beroep doen op een vrijzinnig-humanistisch consulent ervaren vaak onvrede: eenzaamheid, rouw, fysieke en mentale achteruitgang of een minder goed contact met de zorgverleners. Mijn ervaring is natuurlijk gekleurd door de verhalen van de mensen die ik zie. Misschien zijn er uitzonderingen, laten we hopen, maar daar ben ik nog niet geweest. Niet alle mensen in een woon-zorgcentrum voelen zich slecht of zitten in een schrijnende situatie. Er zijn natuurlijk ook mensen die gelukkig zijn en die het goed hebben, maar zij hebben dan logischerwijze geen nood aan een gesprek met een consulent.

WAT LIG IK HIER NOG TE DOEN?

Kan je iets vertellen over de mensen bij wie je op bezoek gaat?
Ik was daarnet in een woon-zorgcentrum op bezoek bij een mevrouw van 84 jaar. Ik kom regelmatig bij haar. Vandaag ging het echt niet goed. ‘Wat lig ik hier nog te doen?’, vraag ze zich af. Ze komt haar bed momenteel niet uit en heeft het gevoel dat ze aan het wachten is op de dood. Ze heeft ook veel pijn. Anderhalf jaar geleden is ze gevallen, waardoor ze naar het ziekenhuis moest. Meteen na haar opname is ze in de gesloten afdeling van een rusthuis terechtgekomen. Die mevrouw heeft nooit bewust gekozen om in een woon-zorgcentrum opgenomen te worden. Boven haar hoofd heeft men beslist dat ze niet meer handelingsbekwaam is, waardoor ze geen beslissingsrecht meer heeft. Ze ervaart de gesloten afdeling als een gevangenis. Je kan daar ook niet zomaar binnen en buiten. Er is een code geplaatst op de deur van de afdeling.

   
Wat mij opvalt, is dat bewoners erg blij zijn dat ze met iemand kunnen praten die los staat van de instelling. Als consulent ben ik buitenstaander, terwijl de andere mensen waarmee ze in contact komen allemaal deel uitmaken van de instelling. Ze zijn van hen afhankelijk. Zo vertelde de mevrouw bij wie ik deze ochtend ging dat ze er bijvoorbeeld op moet letten om iets vriendelijk te vragen, anders krijgt ze het niet. Momenteel doet haar heup veel pijn, heeft ze last in haar nek en ook hoofdpijn, maar ze krijgt daar geen pijnstilling voor. Ze zegt dat ze moet bedelen, smeken om een aspirientje. Je merkt dat de zelfbeschikking van iemand in een rusthuis verdwijnt. Was ze thuis geweest, had ze al lang een pijnstiller genomen. Maar in een rusthuis ben je afhankelijk van de goodwill van de verpleegkundige. Haar huisarts ziet ze bijna niet. Ze heeft ook het gevoel dat ze niets tegen haar huisarts kan zeggen want ze ziet hem als partijdig wegens zijn betrokkenheid in haar opname.

 

In een rusthuis ben je afhankelijk van de goodwill van de verpleegkundige

Die afhankelijkheid is duidelijk zeer aanwezig bij de bewoners.
Absoluut. Ik zie dat bewoners vaak gedwongen afhankelijk zijn. De mevrouw van vanmorgen vindt het zo erg dat ze als volwassen vrouw om medicatie moet smeken. Ze vindt dat ook vernederend. Haar geld wordt beheerd door een bewindvoerder. Ze zou ook graag nieuwe kleren hebben want ze is fel vermagerd. Ze probeert haar bewindvoerder voor een afspraak te contacteren maar dat lukt heel moeizaam. Momenteel heeft ze geen idee welk bedrag op haar bankrekening staat.

   
We kunnen ons niet indenken dat je voor evidente zaken als pijnstilling of financiën zo afhankelijk bent van anderen. Zeer schrijnend vind ik dat. Deze zondag had ze een hele middag gewacht op haar kleindochter, die sowieso al niet veel komt, en uiteindelijk niet kwam opdagen. De ontgoocheling is dan natuurlijk heel groot.
   

ZELFBESCHIKKING IS ZOEK

Krijgen bewoners veel bezoek?
Bij mijn cliënten is het bezoek heel schaars. Familie komt één keer in de week voor een uurtje. Zo’n familie redeneert dat bewoners de nodige zorgen krijgen en omringd zijn door andere bewoners. De vrouw waarover ik vertelde, geeft echter aan dat ze niemand ziet en het gevoel heeft dat er niemand meer naar haar omkijkt, dat ze hele dagen alleen maar in haar bed ligt … Je hebt als bewoner ook heel weinig te doen. Als ze luidop tegen me zegt: ‘Wat lig ik hier nog te doen? Ik ben aan het wachten op de dood, voor mij is dit geen zinvol leven meer. Ik heb continu pijn en er kijkt niemand naar me om’, dan geloof ik haar. Ze zou zich al helemaal anders voelen als de pijn zou verminderen en als ze bezoek zou krijgen. Nu voelt ze zich in de steek gelaten. Ik ben de enige aan wie ze dat kan en durft te vertellen. Ik benoem haar gevoelens. Ik zeg haar dat ik kan begrijpen dat het heel lastig is om hele dagen die pijn te moeten voelen. Ze weent ook veel, wat natuurlijk haar hoofdpijn niet vermindert. Het is heel schrijnend. Als consulent voel je die machteloosheid van de persoon, maar ook zelf voel je je machteloos want je kan er niets aan doen. Maar het feit dat ze tegen mij alles in vertrouwen kan vertellen, zonder schrik te hebben dat ik iets zal doorvertellen, is heel bevrijdend voor haar. Ik vind het als consulent niet altijd makkelijk om bij mensen in een woon-zorgcentrum te gaan omdat je weinig hebt om rond te werken. Er zijn vaak weinig positieve elementen in iemands leven, dus is het soms zoeken naar wat er nog wel is.

 

Ze zegt luidop tegen me: ‘Wat lig ik hier nog te doen? Ik ben aan het wachten op de dood’


Wat valt je nog meer op wanneer je naar mensen luistert?
Het eten is een steeds terugkerend thema. Bij sommige van mijn cliënten wordt het jammer genoeg bijna een grapje: ‘Het was alweer gehakt.’ En dan zoeken we samen welke variaties je kan maken met gehakt: gehaktbal, chipolata, vogelnestje, worst, hamburger, … Het is opvallend hoe eenzijdig de voeding is. Het is inderdaad heel veel gehakt omdat dat goedkoop is en de mensen dat makkelijk kunnen eten.

   
Je merkt ook dat de fysieke mogelijkheden van mensen steeds beperkter worden. Ze moeten leren omgaan met blind worden, doof worden, verlies aan mobiliteit én met het onbegrip dat daarmee gepaard gaat. Een cliënt is zo goed als doof. Ik pas me aan haar aan, bij haar praat ik luid en traag. Je merkt dat die beginnende doofheid op onbegrip van verpleegkundigen en omwonenden stuit. Ze worden er kwaad van: ‘Heb je het nu alweer niet gehoord!?’ Als je niet meer goed hoort word je gedeeltelijk uitgesloten. Als er dan eindelijk iemand iets tegen je zegt, hoor je het niet. Ook telefoneren valt weg als communicatiekanaal. Vroeger had mijn cliënt een vriendin met wie ze regelmatig telefoneerde, maar dat kan nu ook niet meer. Met haar rollator kan ze niet meer naar die vriendin gaan, en haar vriendin geraakt ook niet meer tot bij haar. Fysieke beperkingen hebben veel gevolgen, ook op moreel vlak. Als je graag leest maar je zicht verslechtert, doet dat natuurlijk iets met je. Het is voor mensen ook heel confronterend dat ze er enkel nog op achteruit gaan.

 

Fysieke beperkingen hebben veel gevolgen, ook op moreel vlak

Mensen in een rusthuis hebben vaak ook veel van hun bezittingen moeten achterlaten. Wat ze hadden opgebouwd, is verkocht of ze hebben het niet meer. Ze mogen met moeite een kastje of schilderij meenemen. Ze krijgen vaak maar één kleerkast. Eén kleerkast, voor je winter- en zomerkleren. Dat is heel compact en niet evident.

   
Ik hoor en zie vaak dat de verpleging slecht gezind rondloopt, gestrest is, dat ze geen tijd hebben. Ze melden aan een bewoner dat ze hem zullen komen wassen en vergeten dat dan, waardoor die persoon ongewassen blijft liggen. Dat zijn schrijnende toestanden waar je als consulent niets aan kan doen behalve luisteren en gevoelens benoemen. Ik probeer ook altijd te kijken naar wat mensen wel nog kunnen. Soms is dit pijnlijk, bijvoorbeeld als blijkt dat het enige positieve erin bestaat dat ze nog zelfstandig naar het toilet kunnen. Mensen kunnen veel dingen niet meer: het lezen lukt niet meer, naar de radio luisteren is lastig als je hardhorig bent, dus de zin van het leven is dan heel fel ingekrompen en beperkt. Als je dan door die bril kijkt, hoe zij de dingen zien en ervaren, dan merk je dat het inderdaad heel lastig is. Mensen zijn veel verloren.

   
De privacy in een rusthuis is ook volledig weg. Verpleging komt de kamer binnen, soms zonder te kloppen, de dokter trekt je ladekast open of de familie komt kijken wat er nog is. Als je pech hebt, krijg je opmerkingen als: ‘Je steekt hier toch geen geld weg’... Je hebt geen privacy en geen zelfbeschikking.

   
Ik merk dat bij onze vrijwillige moreel consulenten de opdracht om naar een woon-zorgcentrum te gaan niet populair is, omdat dat heel confronterend is: het confronteert je met de eindigheid van het leven en al wat je verliest.
 

Bij onze vrijwillige moreel consulenten is de opdracht om naar een woon-zorgcentrum te gaan niet populair omdat dat heel confronterend is

HOEMPAPA EN OM ZEVEN UUR NAAR BED

Wat is de specificiteit is van een vrijzinnig-humanistisch consulent in een rusthuis?
Je merkt dat ik een aparte positie inneem in een woon-zorgcentrum. Tijdens gesprekken zal ik vooral een luisterend oor bieden, gevoelens benoemen, samen kijken naar hun zelfbeschikking en zelfredzaamheid. Ik merk dat mensen uitkijken naar mijn komst, als een soort van lichtpuntje. Ik kan niets oplossen of rechttrekken wat krom is, maar ik kan wel luisteren en er voor hen zijn. Ik probeer de aandacht te vestigen op het weinige dat er wél nog is. Ik spoor vaak mijn cliënten aan om hun mening te zeggen – op een beleefde manier natuurlijk – want mensen moeten zich niet laten doen. Het is niet omdat je tachtigplusser bent en in een rusthuis zit dat je opeens geen mens meer bent. Ik zie hoe mensen soms als object worden behandeld. Eten geven en zorgen dat het warm genoeg is, dat zijn dan de basisvereisten en meer is er niet. Zo worden er in sommige rusthuizen met moeite activiteiten georganiseerd. En als er dan wel activiteiten zijn, is het veelal liedjes zingen zoals Daar bij die molen maar dat is zo cliché allemaal. De gedachte ‘het zijn oude mensen dus we zullen eens een hoempapa opzetten’ is sterk aanwezig, maar verschilt zo van wat de mensen effectief willen. Het komt heel kinderachtig over. Voor sommigen, dementerenden bijvoorbeeld, is dat misschien oké. Maar als je nog helder bent, voelt het aan alsof ze je eigenwaarde wegnemen. Je voelt je behandeld worden als een kleuter. Ik zou dat zelf ook niet leuk vinden. Het zou bijvoorbeeld beter zijn wanneer het verplegend personeel zou vragen welke activiteiten de bewoners zelf willen. Het gaat over de afwezigheid van een basishouding bij zorgkundigen: beschouw een bewoner als een volwaardig persoon en wees er lief en vriendelijk voor. Deze ingesteldheid zou al een verschil maken.

 
Nu, ik wil er wel een positieve draai aan geven: in sommige rusthuizen wordt tenminste iets georganiseerd. En als bewoner kan je ook kiezen om niet te participeren. Het is gelukkig zo dat je niet gedwongen wordt. Wel merk ik dat dit bij dementerenden dan weer wel het geval is. Waarschijnlijk gebeurt dat met de beste bedoelingen, met de intentie dat de mensen er deugd van zullen hebben, maar toch.

   
Onlangs kwamen de private zorgcentra in het nieuws omwille van de kwaliteit van de zorgverlening. Hoe kijk jij daar naar?
Ik zie niet zoveel verschil tussen een privé of een door de overheid gesubsidieerd woon-zorgcentrum. Ik vind het jammer dat die opsplitsing werd gemaakt. Ik had een gesprek met een cliënt uit een openbaar rusthuis die me vertelde dat het verblijf daar ook duur is. Commercieel of niet-commercieel, het blijft duur. In een niet-commercieel rusthuis betaal je €55 per dag. Daarmee kan je op hotel gaan. Eigenlijk zou een rusthuis als een hotel kunnen zijn, maar de mensen beleven dat absoluut niet zo. Natuurlijk is er een verschil: iemand in een woon-zorgcentrum heeft veel meer zorg nodig. Ik vind het dus jammer dat die opsplitsing tussen overheid en privé is gemaakt, omdat je nu de indruk krijgt dat privé-instellingen niet goed zijn. Mijn ervaring is dat er niet zo veel verschil is. Nu, ik durf me hier ook niet te veel over uit te spreken omdat ik me enkel kan baseren op mijn ervaringen met rusthuizen.

 

Commercieel of niet-commercieel, het blijft duur

Kan je vertellen hoe een dag in een woon-zorgcentrum er voor een bewoner uitziet?
Ik ken rusthuizen waar ze al om half zeven met het ontbijt komen. Je kan als bewoner niet uitslapen. Je moet zorgen dat je je ontbijt op hebt binnen een bepaalde tijdspanne want dan komen ze het weer ophalen. Het dagritme in een rusthuis begint vroeg. Ontbijt om half zeven, middageten om half twaalf, avondmaal om vijf uur en om zeven uur word je geacht te slapen. De dagindeling bepaal je dus niet zelf. Het is niet, zoals bij een hotel, tussen half twaalf en twee uur buffet waarbij je kan komen eten als je zin hebt. Middagmalen zijn vaak samen en je wordt op een vaste plek geplaatst aan een tafel. Ook daar is zelfbeschikking niet aanwezig. Je kan niet kiezen naast wie je zit. Dat vind ik echt verschrikkelijk. De mevrouw van 84 jaar die ik aanhaalde zit met twee mensen aan een tafel waarvan er één dementerende is. Die vrouw weent continu en kan met moeite nog zelf eten. Dan begrijp ik dat je eetlust minder is. 

   
Er zijn ook veel zaken gereglementeerd: er is een vaste dag om een bad te nemen, een vaste dag voor een bepaalde activiteit … Je kan bijna niets zelf kiezen. Het is heel confronterend om vast te stellen dat het zelfbeschikkingsrecht van mensen tot bijna niets wordt herleid. Dat maakt het voor mij niet makkelijk om als consulent naar een woon-zorgcentrum te gaan. Belanden in een rusthuis is als het ware het eindstadium van het leven. Als ik zie hoe sommige bewoners worden behandeld, is het zeker niet iets om naar uit te kijken. Mensen blijven tegenwoordig ook langer thuis wonen, dus als ze dan al naar een rusthuis gaan, zijn ze veel hulpbehoevender dan vroeger het geval was. Het aantal bedden wordt geteld, maar niet de hulpbehoevendheid.

 

Het is heel confronterend om vast te stellen dat het zelfbeschikkings-recht tot bijna niets wordt herleid

Een cliënt van me vertelde dat ze zich ook niet meer durft binden aan mensen. Als buitenstaander is het confronterend om naar een woon-zorgcentrum te gaan, maar voor de bewoners evenzeer. Wanneer je er lang woont, zie je de ene persoon na de andere sterven. Je merkt dat mensen die er langer zijn geen band meer zoeken met de medemensen, om zichzelf te beschermen. Want als die persoon dan komt te overlijden is dat veel te moeilijk, is er weer verdriet en rouw… daarom gaan mensen die er lang verblijven, zich nog meer isoleren. Als consulent kan je hen dus ook niet aansporen om contact te zoeken met andere bewoners, want je begrijpt waarom ze het niet doen. De mevrouw waarover ik sprak, woont al tien jaar in een woon-zorgcentrum. Ze vertelde me dat ze in het begin contact had met een aantal medebewoners, maar iedereen is ondertussen al gestorven. Ze zoekt geen contact meer, uit zelfbehoud. Wanneer er iemand sterft, wordt er door het personeel bovendien bijna geen informatie gegeven. Het is allemaal anoniem en binnen de drie dagen moet de kamer leeg zijn en zit er iemand anders. Dat zorgt voor gedachten als: ‘dat zal bij mij dan ook gebeuren als ik sterf’. 

   
Daarnaast is het ook zo dat als je sociale contacten hebt, de gesprekken meestal gaan over pijn en ziektes, gezondheid … de mensen vertellen niet vaak vrolijke zaken, waardoor het weinige contact soms ook als deprimerend wordt ervaren.
   

SAMEN ALLEEN

Je vertelde dat een woon-zorgcentrum confronterend is, dat er weinig vrijwilligers het zien zitten om ernaar toe te gaan. Hoe ga jij daarmee om?
Ik merk dat de mensen waarbij ik op gesprek ga, er echt wel iets aan hebben. Praten doet hen deugd. Ik zou het ook waardevol vinden wanneer er iemand bij mij op bezoek komt waaraan ik alles in vertrouwen kan vertellen. Je merkt dat je echt wel een verschil maakt in iemands leven. Ook al kan je niet veel veranderen aan de situatie, toch merk je dat je iets waardevols doet voor iemand. Je bent iemand die de tijd neemt, die rustig is. Zorgen dat je zelf rustig bent, is heel belangrijk. Vaak hebben de verpleegkundigen weinig tijd vanwege al het werk en moet bijna alles op een drafje gebeuren. Naar een rusthuis gaan als consulent vraagt ook om continuïteit. Een vrijwilliger die naar een woon-zorgcentrum gaat, moet kunnen blijven gaan en niet voortdurend door iemand anders worden vervangen. Dat is voor de cliënten echt belangrijk. Ze kennen je, je bouwt een band op ... Het verschil met een ziekenhuis is dat de opnames daar over het algemeen heel kort zijn, en de consulent misschien één keer op bezoek komt. Cliënten weten ook dat ik gebonden ben aan beroepsgeheim. Ze kunnen vrij praten en vertellen wat hen op het hart ligt. Ik zal als consulent pas in actie schieten als het op hun uitdrukkelijk verzoek is. Enkel als ze het vragen, nooit achter hun rug.

   
Je vertelde daarnet ook dat eenzaamheid en isolement veel voorkomen.
Ik had vroeger de overtuiging dat men zich in een rusthuis minder eenzaam en alleen voelt. Maar dat is niet zo. Mensen zitten allemaal apart in hun kamer en de aanwezigheid van medebewoners en verzorgend personeel heft de eenzaamheid niet op. En zoals ik vertelde zoekt die cliënt geen andere bewoners meer op uit angst een band op te bouwen en dan die persoon te verliezen. Dus die eenzaamheid vergroot zelfs. Als je alleen thuis woont kan je nog eens naar de winkel gaan, eens buiten komen … Families denken vaak dat mensen in een woon-zorgcentrum én verzorging én medebewoners hebben waardoor één keer in de week een uurtje op bezoek komen wel voldoende zal zijn. Bij iemand die alleen woont, wordt er sneller gedacht ‘die persoon zit daar zo alleen, ik zal snel even binnenspringen’. Dus er heerst een verkeerd idee dat als je in een rusthuis bent, je niet eenzaam voelt.

 

De aanwezigheid van medebewoners en verzorgend personeel heft de eenzaamheid niet op. Ik benoem deze situatie in een rusthuis als ‘samen alleen zijn’


Ik benoem de situatie in een rusthuis als ‘samen alleen zijn’. Ook al ben je samen in woon- en zorgcentrum, je kan je zeer alleen voelen.

Ik heb een cliënt die nog zelfstandig naar buiten kan, en dat doet veel voor de beleving van een persoon. Die mevrouw gaat met haar rollator naar buiten iets drinken in een cafeetje op de hoek. De mensen kennen haar daar, en dat doet haar deugd. Je moet dan natuurlijk ook het geluk hebben om in een woon-zorgcentrum te zitten waar er in de buurt iets is zoals een cafeetje …

 
Je werkt ook in het huisvandeMens. Zijn er essentiële verschillen met het werk in een woon-zorgcentrum?
In een woon-zorgcentrum zit ik in een andere context. Ik heb nog gewerkt in een gevangenis en het gegeven is ongeveer hetzelfde: je komt in een instelling terecht met eigen regels. Het is een systeem. Het grote verschil met mensen die naar een huisvandeMens komen, is dat zij niet in zo’n instellingssysteem zitten.

   
Maar dat is volgens mij net de meerwaarde van een vrijzinnig-humanistisch consulent in een instelling: als buitenstaander van het systeem en vanuit onze levensbeschouwing vinden we zelfbeschikkingsrecht en autonomie belangrijk en dat kan je bij de mensen aanmoedigen. Ik luister naar mensen. Wanneer ik hoor dat iets voor hen belangrijk is, dan ga ik daarop in. Tijd maken voor wat voor hen belangrijk is, is wat ik doe. Het zit hem niet in de grote dingen, eerder in de kleine: oprechte aandacht, vriendelijkheid en respect. Kortom, medemenselijkheid.

   
Linde Waeyaert
   

   

GETUIGENIS VAN RUSTHUISBEWOONSTER OVER DE BETEKENIS VAN HET BEZOEK VAN EEN VRIJZINNIG- HUMANISTISCH CONSULENT WOENSDAGAVOND, 18 OKTOBER 2017

Ik ben een gepensioneerd psychologe. Sedert een paar jaar verblijf ik in een rusthuis. Op een bepaald ogenblik kreeg ik persoonlijke problemen waarop de directie op een ondoenbare manier reageerde: ik werd gewoon genegeerd en onrespectvol berispt. Praten kreeg geen kans.

Via Tele-Onthaal kwam ik terecht bij het huisvandeMens Gent. Mijn eerste bezoek was een complete verrassing: een spontane ontvangst, heel soepel en hartelijk, ronduit vriendschappelijk. Een jonge vrouw ving mij op en het werd gewoon een ontspannen, vriendelijk gesprek. Ze stelde me voor aan huis te komen, en dat doet ze intussen al een paar jaar. Om de drie à vier weken komt ze langs voor een bezoek van ongeveer 2 uur.

Ik zorg voor koffie en als ze binnenkomt is de zon in huis. Het zijn geen stroeve gesprekken. In een rusthuis ben je zeer eenzaam. Praten met personeel gebeurt niet vlot, wegens een tekort aan personeel.

Als zij er is, kom ik spontaan los en praat ik voluit over wat mij op het hart ligt. Bij moeilijkheden geeft ze me raad en ze luistert graag naar de goede momenten. Over haar eigen, persoonlijke zaken praat ze nooit. Mijn zorgen worden met veel energie aangekaart en de tijd is altijd vlug om. Als zij weggaat ben ik een ander mens. Ik ben 83 en zij 47, maar ik voel me geen oud vrouwtje bij haar. Ik hoop dat nog veel mensen Anniek De Pauw leren kennen en haar energie kunnen delen.

Wat ik zeer aangenaam vind: ik lees alle dagen de krant en kijk naar het nieuws. Met weinig medebewoners kan je daarover praten. Met Anniek komen alle nieuwsberichten aan bod en dat is uniek.

     
 
Wil je de papieren versie van De Geus thuis ontvangen? klik hier voor meer informatie.