JANUARI 2018

VERMAATSCHAPPELIJKING VAN DE ZORG


Thuiszorg in de praktijk. Hier zien we een project van EVA vzw, waarbij werkzoekenden van diverse origine en mantelzorgervaring worden ingeschakeld in thuiszorgdiensten. Het potentieel van mensen uit diverse horizonten wordt op die manier ingezet om samen met de thuiszorgdiensten te bouwen aan een meer cultuursensitieve zorg voor de senioren van morgen. De vzw EVA realiseert in Brussel voorbeeldprojecten die innovatief inspelen op sociale noden. ©Layla Aerts

   

Pleidooi voor autonomie én inclusie

Vermaatschappelijking van de zorg is een thema dat vanuit verschillende sectoren van de samenleving ter sprake komt in de media. De overtuiging dat iedereen recht heeft op een zinvolle plek in de samenleving, niet geïsoleerd maar geïntegreerd, lijkt niet meer in de kinderschoenen te staan. Eigen zeggingskracht in de zorg en ondersteuning via een toegankelijk netwerk worden benadrukt als een voorwaarde voor goede zorg. Maar geven deze recente evoluties in de zorg reden tot hoop of eerder wanhoop? Eva Van Eechoute, orthopedagoog, stagebegeleider en leerkracht in het secundair onderwijs richting jeugd- en gehandicaptenzorg, plaatst enkele kanttekeningen.

 
Berichtgevingen vanuit sociaal werk, welzijnswerk, gehandicaptenzorg en gezondheidszorg bereiken ons met zowel positief als negatief nieuws. Er verschijnen enerzijds reportages die een noodkreet zijn, een laatste redmiddel om een blik te werpen op wie hulp nodig heeft en die niet krijgt. VRT bracht bijvoorbeeld de uitzending Pano, undercover in woonzorgcentra uit. Het debat laaide op over de kwaliteit van de zorg en over een mooi visieverhaal als verpakking voor besparingsoperaties. Anderzijds slaagden bijvoorbeeld de tv-makers van Radio Gaga erin om een heel persoonlijk en relationeel beeld te brengen over zorg in al zijn facetten. We zien pijn, verdriet, eenzaamheid. We zien ook dat (kleine en grote) initiatieven ontstaan als antwoord op verschillende soorten zorgvragen.

 
Hoe kijken jonge mensen die aan het begin staan van hun loopbaan als zorgverlener hier tegenaan?
‘Mijn mooiste moment op stage was wanneer een vrouw met een verstandelijke beperking mijn hand nam en mij meenam naar haar slaapkamer. Daar toonde ze mij dat ze haar bed wilde opmaken, maar dit niet alleen kon. Samen ging het wel. Het gaf mij het gevoel dat ik voor haar iets kon betekenen, ook al was dit misschien maar een klein gebaar.’

   
In enkele zinnen komt een studente tot de kern van wat voor haar goede zorg is: een zorgvraag (h)erkennen en hieraan tegemoetkomen. Waarom dit voor haar een mooi moment is geweest, heeft te maken met het gevoel van ‘zelf iets te kunnen betekenen’. Zorg bieden vertrekt hier vanuit jezelf zinvol voelen in relatie tot iemand anders. Mensen die voor de zorgsector kiezen, voelen vaak een sterke motivatie om een verschil te kunnen maken voor iemand. Interafhankelijkheid of tweerichtingsverkeer vormt zo de basis voor interactie in zorg en ondersteuning. Bij een goede connectie tussen zorgvrager en zorgbieder is er wederzijdse erkenning: enerzijds ‘mijn hulpvraag wordt gehoord, ik word gezien’ en anderzijds ‘ik kan jou helpen, ik kan een verschil maken’.

   

INDIVIDUALISERING ALS NORM?

Door recente maatschappelijke evoluties in de zorgsector draagt men autonomie, zelfbeschikking en inclusie hoog in het vaandel. De Strategische Adviesraad Welzijn, Gezondheid en Gezin (SARWGG) geeft beschrijvingen van een aantal wijzigingen in de samenleving in een visienota ‘integrale zorg en ondersteuning’ (2012). Individualisering is er hier één van en wordt als volgt omschreven:
De levensweg van elk individu wordt losgekoppeld van voorgegeven bepalingen en in handen gegeven van dat individu. Dat zorgt voor meer zelfbeschikking, maar het gaat tegelijk ook over het ‘moeten’ leiden van een eigen onafhankelijk leven (...).

   
Keuzevrijheid, autonomie en empowerment van (kwetsbare) mensen verdienen de nodige aandacht in de zorgverlening. Toch zijn er een aantal gevaren bij het eenzijdig invullen van het begrip ‘individualisering’. Het ‘samen doen’ en ‘zinvol zijn voor elkaar’, zoals in de anekdote van de studente, zit minder en minder ingebed in het discours van recente maatschappelijke evoluties in de zorg. Nochtans hoor ik deze termen wel duidelijk in de motivatie van studenten die bewust kiezen voor een richting in de zorg (voor personen met een handicap, voor jeugd, kinderen, ouderen, ...). Zij praten over momenten waarop ze geraakt werden door anderen of waarop zij een verschil konden maken voor iemand. ‘Het moeten leiden van een eigen onafhankelijk leven’, zoals hierboven omschreven, staat op het eerste gezicht haaks op deze motivatie. Bij het eerste uitgangspunt is een onafhankelijk individu de maatstaf, bij het tweede de relatie tussen zorgvrager en zorgbieder.

 

Keuzevrijheid, autonomie en empowerment van (kwetsbare) mensen verdienen de nodige aandacht in de zorgverlening

Uiteraard is het niet zo zwart-wit. Net zoals een kind steeds autonomer wordt, vertrekkende vanuit een stevige en veilige relatie met anderen, zou het ook zo gezien kunnen worden in de zorg. Wie zorg nodig heeft, vertrouwt eerst op (de professionaliteit van) iemand om daarna, als dat kan, zo onafhankelijk mogelijk verder te gaan. Deze onafhankelijkheid wordt meer en meer in de kijker gesteld als het gaat om kwetsbare groepen in de samenleving (bijvoorbeeld de sector voor mensen met een handicap en de geestelijke gezondheidszorg). Dat is ongetwijfeld meer dan een stap vooruit. Heel lange tijd heeft zorgverlening voor kwetsbare groepen een aanbodgestuurde invulling gehad. Dat er vandaag in vele visieteksten over zorg begrippen als ‘autonomie en actief burgerschap’ geschreven wordt, kan ik toejuichen omdat er mijns inziens nog meer geluisterd moet worden naar de vraag van iemand. Waarom zouden mensen met een handicap of eender welke zorgvraag niet zelf kunnen aangeven wat voor hen een kwaliteitsvol bestaan is?

   
Ik stel mij wel de vraag of het beeld van de individuele mens als een sterke en onafhankelijke persoon steeds een na te streven ideaal moet zijn. Daarnaast vraag ik me af of huidige maatschappelijke structuren het actief burgerschap voldoende ondersteunen.
   

MEER VERANTWOORDELIJKHEID, MEER ONZEKERHEID

In het idee van een maakbare samenleving waarin we trots zijn op waar we als individu tot in staat zijn, is de druk op prestatie heel groot. Nog groter is de verantwoordelijkheid en het schuldgevoel dat we bij onszelf leggen als we niet slagen in wat we ons vooropstellen. In de aflevering van Radio Gaga over De Markt in Mol – een gemeenschapsinstelling – getuigde een meisje over een moeilijke thuissituatie waaruit ze was weggelopen. Ze had schrik dat haar ouders teleurgesteld zouden zijn in haar. Als één van de reporters zei dat zij toch niets kon doen aan wat er thuis gebeurd was, antwoordde ze: ‘ik ben weggelopen, ik had er ook voor kunnen kiezen om dit niet te doen’. Het idee dat wij volledig zelf verantwoordelijk zijn voor wat we bereiken geraakt, merk ik, meer en meer ingebakken in het denken en voelen van (jonge) mensen. En hoewel het getuigt van een grote zelfreflectie van dit meisje in kwestie stel ik mij ook de vraag of dit een stap vooruit is. Het benadrukken van eigen keuze en eigen verantwoordelijkheid legt ook sterk de focus op het eigen falen terwijl het persoonlijk aandeel in moeilijke situaties vaak maar één van de vele factoren is.

 

In het idee van een maakbare samenleving waarin we trots zijn op waar we als individu tot in staat zijn, is de druk op prestatie heel groot

Het belang van eigen verantwoordelijkheid zien we in vele zorgsectoren terugkeren. Door vermaatschappelijking van de zorg wordt het informele netwerk meer aangesproken dan vroeger. Dit noemt men het ‘activeren van het sociaal kapitaal’. Een mooie visie, maar uit onderzoek weten we dat de meest kwetsbare groepen in de samenleving ook het minste sociaal kapitaal of het minste eigen informele netwerk hebben. Als het een norm wordt om autonomie en verantwoordelijkheid centraal te stellen, moeten we waakzaam zijn dat een grote kwetsbare maatschappelijke groep niet nog meer aan de zijlijn komt te staan. Het is niet zo eenvoudig om een goed evenwicht te vinden tussen enerzijds het aanwakkeren van het ‘eigen kunnen’, het ‘niet-betuttelen’ en anderzijds het voldoende ‘vasthouden’ en ‘in relatie blijven tot’ mensen die zorg nodig hebben. Meer verantwoordelijkheid, keuzevrijheid en autonomie betekenen ook een toenemende onzekerheid en een grotere angst om te falen. Dit gaat helemaal voorbij aan het idee achter vermaatschappelijking van de zorg, namelijk het activeren en het zelfstandiger maken van personen met een zorgvraag en hun netwerk. Het verantwoordelijkheidsgevoel en de angst om te falen kunnen zo sterk worden dat de verbinding met de omgeving meer en meer vervaagt. De inclusiegedachte vertrekt net wel vanuit deze verbinding.
 

Als het een norm wordt om autonomie en verantwoordelijkheid centraal te stellen, moeten we waakzaam zijn dat een grote kwetsbare maatschappelijke groep niet nog meer aan de zijlijn komt te staan

INCLUSIE

Studenten die in het secundair onderwijs voor een richting in de zorg kiezen (of er door een samenloop van factoren in terecht komen) hebben dikwijls (on)rechtstreeks zelf te maken met ‘anders zijn’. Er is een mix van studenten die enerzijds zelf ondervonden hebben hoe het voelt om niet mee te kunnen en zo door het watervalsysteem – een dynamiek waar men in het onderwijs vanaf wil – in een sociale richting terechtgekomen zijn. Anderzijds zijn er uiteraard ook heel wat studenten die bewust voor een sociale richting kiezen. Ook zij ervaren soms een vorm van ‘anders zijn’. Vaardigheden als empathie, creativiteit, oog hebben voor wat iemand emotioneel nodig heeft (...) zijn nu eenmaal niet zo gemakkelijk in cijfers te gieten. Bij deze studenten is talent aanwezig dat niet altijd zo zichtbaar naar boven komt in een gewone onderwijscontext. Het is dan ook mooi om te zien hoe ze zichzelf leren kennen op stage en ervaren hoe zij met hun capaciteiten een verschil kunnen maken in de zorgsector.

   
Inclusie gaat over het zichtbaar maken van talent in een context die dit mogelijk maakt. Bij het meisje dat gevlucht is uit haar thuissituatie en in meerdere (gesloten) instellingen terecht is gekomen kunnen we ons de vraag stellen in welke context zij haar talent kan ontwikkelen. Inclusie gaat ook over erkennen dat mensen onder grote emotionele druk terugvallen op – in onze ogen mogelijks vreemde – beschermingsmechanismen. We lijken in deze soort reacties (fight, flight, freeze) meer op elkaar als mens dan we verschillen. Toch zijn het eerder de verschillen die in de verf gezet worden als er gezocht wordt naar een etiket of label voor gedrag dat ‘anders is’. Daarnaast zie ik ook exclusie wanneer blijkt dat het heel moeilijk is om een juiste plaats of zorg te vinden als een problematiek complex is, of als er meerdere facetten in zorg nodig zijn. In gesloten instellingen komen meer en meer mensen terecht met een psychiatrische problematiek, na door heel wat andere voorzieningen of diensten te zijn doorverwezen. De connectie tussen persoon en omgeving lijkt dan helemaal zoek.

   
Deze verbinding en erkenning mogen in (de visie over) zorg niet naar de achtergrond verdwijnen. In een discours waar eigen autonomie in de verf gezet wordt komt er – of we dat nu bedoelen of niet – ook meer druk op de schouders van de zorgvrager die meer en meer verantwoordelijkheid ervaart. Als je zorg nodig hebt wil je in de eerste plaats kunnen vertrouwen op iemand. Het geeft hoop dat de positieve stage-ervaringen van studenten vertrekken vanuit momenten waarop zij dit zelf gevoeld hebben en dit ook (beginnend) kunnen betekenen voor iemand anders.

   
Eva Van Eeckhoute
   
 
Wil je de papieren versie van De Geus thuis ontvangen? klik hier voor meer informatie.