SEPTEMBER 2016

GGO'S? YUCK!


Als we kijken naar de manier waarop activisten ggo’s voorstellen en mensen over ggo’s denken, ontwaren we duidelijk de invloed van een aantal intuïties en emoties. Door in te spelen op onze essentialistische, teleologische en intentionele intuïties en gevoelens van walging, hebben negatieve (maar onjuiste) ideeën en voorstellingen van ggo’s zich als een lopend vuurtje weten te verspreiden.


 

DE INTUÏTIEVE VERLEIDING VAN DE WEERSTAND TEGEN GENETISCH GEMODIFICEERDE ORGANISMEN

Op donderdag 30 juni pakten maar liefst 110 Nobelprijslaureaten – voornamelijk uit de disciplines fysica, chemie en geneeskunde – uit met een straf initiatief. In een open brief gericht aan Greenpeace, de V.N. en regeringsleiders wereldwijd, vegen ze Greenpeace flink de mantel uit over hun volgehouden campagnes tegen GGO’s. Ze roepen Greenpeace op niet langer het wetenschappelijk bewijsmateriaal te veronachtzamen dat GGO’s geen gezondheidsrisico inhouden bij menselijke of dierlijke consumptie, en dat studies bij herhaling hebben laten zien dat GGO’s niet schadelijk zijn voor de natuurlijke omgeving en zelfs een zegen voor de biodiversiteit genoemd kunnen worden. Waarom doet Greenpeace dat, terwijl ze als het op de klimaatcrisis aankomt wél oren hebben naar de wetenschappelijke consensus? Waarom blijven GGO’s zoveel weerstand opwekken, niet alleen bij hardcore milieuactivisten, maar ook bij het brede publiek? Hoe valt die weerzin te verklaren? Als manifest onware ideeën zich weten te verspreiden, zo stelt filosoof Stefaan Blancke (UGent), wordt het interessant om te kijken naar de menselijke geest.

 
Wetteren, 29 mei 2011. Drie- à vierhonderd activisten van het Field Liberation Movement en sympathisanten rukken op naar een proefveld van de Universiteit Gent, met als enige bedoeling het te vernietigen. Op het veld staan genetisch gemodificeerde aardappelen die resistent zijn gemaakt tegen Phytophtora infestans, ook bekend als de aardappelplaag, een veel voorkomend schimmelachtig organisme dat desastreuze gevolgen heeft voor de oogst. Door deze toepassing zouden boeren tot 80 procent minder schimmeldodende middelen moeten spuiten. De activisten zijn gekant tegen genetische modificatie: ze vinden de technologie gevaarlijk en menen dat die enkel in het leven geroepen is om de zakken van multinationals te vullen. Daarom willen ze het experiment met alle mogelijke middelen stopzetten. Een tweehonderdtal wetenschappers protesteert tegen de actie, maar komt niet tussenbeide. Ook de politie is aanwezig. Ze zijn echter met te weinig om de bestorming van het veld te verhinderen. Ook het hek rond het veld kan de activisten niet stoppen. Ze vernietigen een aanzienlijk deel van de proef.

   
De Vlaamse media besteedden uitvoerig aandacht aan dit incident, maar vanuit internationaal perspectief was deze actie niet uitzonderlijk. Activisten, vaak verbonden aan milieuorganisaties als Friends of the Earth en Greenpeace, vernielden in verschillende Europese landen, waaronder Frankrijk en Zwitserland, al eerder proefvelden met genetisch gemodificeerde planten. Ook buiten Europa vonden intussen dergelijke acties plaats. Onder de doelwitten bevonden zich proefvelden met ‘gouden rijst’ in de Filippijnen, genetisch gemodificeerde eucalyptusbomen in Argentinië, gemodificeerde suikerbieten in de Amerikaanse staat Oregon en dito tarwe in Australië. De weerstand tegen ggo’s beperkt zich niet tot een kleine groep milieuactivisten, maar vindt weerklank bij een groot deel van de bevolking. Een grootschalige Europese studie uit 2010 toont dat, ondanks de grote nationale verschillen, in geen enkel Europees land een meerderheid de technologie steunt. In sommige landen, waaronder Frankrijk, Luxemburg en Griekenland, is niet eens twintig procent ervoor te vinden. Binnen de Europese Unie leidde dit tot een de facto moratorium op de commercialisering van ggo’s tussen 1998 en 2004 en een nog steeds buitengewoon strenge regulering. In de VS, waar ggo’s vlotjes de weg naar de markt vonden, is de bevolking nauwelijks minder gekant tegen de technologie. Daar meent 57 procent dat het eten van genetisch gemodificeerd voedsel onveilig is. Slechts 37 procent denkt het tegenovergestelde.

  De weerstand tegen ggo’s beperkt zich niet tot een kleine groep milieuactivisten, maar vindt weerklank bij een groot deel van de bevolking
Deze publieke weerzin staat in schril contrast met de wetenschappelijke bevindingen. Die tonen overduidelijk aan dat de technologie veilig is voor de gezondheid van mens en dier. Bovendien leveren de huidige toepassingen doorgaans een belangrijke bijdrage tot een duurzame landbouw, zowel op milieuvlak als op vlak van de sociaaleconomische situatie van de kleine boeren die massaal gebruik maken van ggo’s (voor meer info verwijs ik graag naar het boek De ggo-revolutie door Wim Grunewald en Jo Bury). Maar als de technologie veilig is en voordelen levert voor milieu en landbouwer, waar komt die weerstand dan vandaan? Op die vraag bestaan verschillende antwoorden. Volgens sommigen heeft het te maken met de klein-linkse weerstand tegen grote bedrijven. Anderen denken dan weer dat de consument zich verzet omdat hij of zij geen persoonlijk voordeel haalt uit de technologie, of dat de weerstand voortspruit uit een post-christelijke cultuur waarin Moeder Natuur de plaats heeft ingenomen van God de Vader. Die antwoorden zijn niet geheel onjuist, maar ze volstaan niet. Mensen zijn ook tegen ggo’s wanneer deze via publiek geld zijn ontwikkeld, ze liggen doorgaans niet wakker van technologieën waar ze niet meteen iets aan hebben (tractoren, iemand?), en de weerstand komt ook voor in niet-christelijke culturen. We moeten het antwoord dus elders zoeken.

   

GEEST EN CULTUUR

Als manifest onware ideeën zich weten te verspreiden, dan wordt het interessant om te kijken naar de menselijke geest. Denk maar aan pseudowetenschappen zoals homeopathie of het creationisme. Op een of andere manier weten dergelijke ideeën, die flagrant in tegenspraak zijn met de wetenschap, de geest te verleiden om ze voor waar aan te nemen. Hoe slagen zij daarin?

  Als manifest onware ideeën zich weten te verspreiden, dan wordt het interessant om te kijken naar de menselijke geest 
Belangrijk om weten is dat de menselijke geest veel meer omvat dan het bewuste ‘ik’ dat we dagelijks ervaren. Inderdaad, we hebben het gevoel dat we controle hebben over onze gedachten en dat we rationeel en weloverwogen oordelen en beslissingen nemen. Maar de laatste veertig jaar hebben psychologen ontdekt dat ons bewust denken maar het topje van de ijsberg vormt. Het overgrote deel van ons denken gebeurt niet door onze reflectieve geest, maar door intuïties die hun werk uitoefenen zonder dat we van hun werking bewust zijn – om die reden hebben we ze ook nog maar pas ontdekt. Het enige wat we min of meer bewust registreren, is hun output. Denk bijvoorbeeld aan een moment waarop je met vrienden samen bent. Je praat met hen, vertelt grappen, reageert gevat op een opmerking, je lacht samen, wisselt gedachten uit. Je weet spontaan hoe je je in hun gezelschap moet gedragen. Dit is het gevolg van sociale intuïties waarmee natuurlijke selectie onze soort doorheen haar evolutie heeft uitgerust. Deze en vele andere intuïties, elk met hun eigen taak, laten ons toe om ons vlot doorheen het dagelijks leven te bewegen. Maar soms zetten ze ons op het verkeerde spoor. Mensen worden bijvoorbeeld snel bang van spinnen en slangen, ook in landen waar er geen giftige soorten te vinden zijn. Daarentegen bewegen de meesten van ons zich zorgeloos en vaak ook roekeloos doorheen het verkeer, dat jaarlijks talloze levens eist. De reden is dat spinnen en slangen een gevaar vormden in onze voorouderlijke omgeving, waar er uiteraard geen enkele auto te vinden was. Daarom heeft natuurlijke selectie ons uitgerust met een intuïtieve gevoeligheid voor angst voor spinnen en slangen, maar ze heeft nog niet de tijd gehad om ons een gezonde angst voor het verkeer te laten ontwikkelen. Bijgevolg schatten we de risico’s van de moderne tijd volledig verkeerd in.

  Het overgrote deel van ons denken gebeurt niet door onze reflectieve geest, maar door intuïties die hun werk uitoefenen zonder dat we van hun werking bewust zijn 
Intuïties hebben niet alleen een grote invloed op ons individueel denken en gedrag, maar ook op welke ideeën zich weten te verspreiden. Net zoals ons lichaam gevoelig is voor bepaalde ziektes maar niet voor andere, maken intuïties onze geest meer ontvankelijk voor bepaalde ideeën dan voor andere. Over het algemeen maken ideeën die het meeste aansluiten bij onze intuïtieve verwachtingen de grootste kans om populair te worden. Ze buiten als het ware onze intuïties uit om zich te verspreiden. Dit kader laat ons toe om het succes van het verzet tegen ggo’s te verklaren: ideeën en afbeeldingen die tegen ggo’s gekant zijn, spelen op een of andere manier in op onze intuïties. Maar welke intuïties zijn dit dan?

   

INTUÏTIEF VERZET

Als we kijken naar de manier waarop activisten ggo’s voorstellen en mensen over ggo’s denken, ontwaren we duidelijk de invloed van een aantal intuïties en emoties. Eén daarvan is het psychologisch essentialisme. Deze intuïtie creëert de verwachting dat organismen een onzichtbare, onveranderlijke kern hebben (een ‘essentie’) die de ontwikkeling, het gedrag en de identiteit van het organisme bepaalt. Ze laat ons toe om de levende wereld spontaan te categoriseren en te begrijpen: als we een kat zien, hoeven we niet telkens op onderzoek om te weten te komen welk dier dat is en hoe het zich gedraagt. We dichten het de essentie ‘kat’ toe, waardoor we meteen over een heleboel informatie beschikken. We weten dat een kat ademt, eet en zich voortplant met andere katten, maar ook dat ze scherpe tanden heeft en jaagt op alles wat ze de baas kan. Uiteindelijk is deze intuïtie zo gek nog niet, want het leven op aarde is inderdaad te categoriseren. En daarenboven zit er in organismen iets onzichtbaars dat een belangrijke invloed uitoefent op hun ontwikkeling, gedrag en identiteit, namelijk DNA. Maar ze zet ons ook op het verkeerde spoor. De intuïtie dat soorten essentieel onveranderlijk zijn, strookt immers niet met de idee dat soorten evolueren uit andere soorten. En DNA vormt geen essentie die eigen is aan een bepaalde soort, maar bestaat steeds uit hetzelfde alfabet van vier letters, of je nu kijkt naar een schimmel, een krokodil of een mens. Soorten kunnen dus DNA uitwisselen, iets wat in de natuur constant gebeurt. Zo is acht procent van het menselijk genoom afkomstig van virussen.

  Uiteindelijk is deze intuïtie zo gek nog niet, want het leven op aarde is inderdaad te categoriseren 
Toch hebben we de neiging om DNA essentialistisch te bekijken. In een Amerikaanse enquête wist slechts een minderheid het juiste antwoord op de vraag of een tomaat gemodificeerd met DNA uit vissen ook naar vis smaakt (voor wie twijfelt: het juiste antwoord is neen). Ook hebben mensen meer problemen met toepassingen van genetische modificatie waarbij soortgrenzen overschreden worden dan wanneer dat niet het geval is. Anti-ggo-campagnes spelen duidelijk in op onze essentialistische intuïties. Tomaten krijgen vinnen- en vissenstaarten, een opengesneden appel vertoont het binnenste van een citroen. Schorpioenen-DNA in maïs zou leiden tot krokantere cornflakes.

   

PSEUDORELIGIE EN WALGING

Ook teleologische intuïties spelen een rol. Deze intuïties laten ons geloven dat fenomenen gebeuren of bestaan omwille van een bepaald doel of een bepaalde functie. Dit doel-oorzakelijk denken laat ons toe om de functie van gebruiksvoorwerpen en van biologische adaptaties zoals het menselijk oog te begrijpen, maar we passen het intuïtief ook toe op compleet natuurlijke fenomenen. Bijvoorbeeld, regen bestaat om de planten water te geven. Als je aan jonge kinderen vraagt waarom rotsen puntige uitsteeksels hebben, denken ze dat die er zijn om ervoor te zorgen dat er geen dieren op die rotsen gaan zitten. Volgens diezelfde logica bestaan leeuwen om in de dierentuin te zitten. Door onderwijs leren we die intuïtie te onderdrukken, maar ze verdwijnt nooit helemaal. Zelfs professionele natuurkundigen vervallen in teleologisch denken als ze onder tijdsdruk worden geplaatst. Omdat we een uitzonderlijk sociale soort zijn, voor wie het uiterst belangrijk is om te weten wat er zich in het hoofd van andere mensen afspeelt, hebben we de neiging om deze intuïtief veronderstelde doelen als intenties te beschouwen.

   
Teleologische en intentionele intuïties spelen een belangrijke rol in religies, maar in een meer seculiere omgeving geven ze vorm aan de idee dat de natuur zelf een intentioneel wezen is. En de plannen van Moeder Natuur kan je beter niet dwarsbomen, want zij weet wat het beste is voor ons. Neem Mary Shelley’s beroemde verhaal over Frankenstein, een door de mens gecreëerd leven dat alras ontspoort. Zo is het ook met genetische modificatie, menen veel tegenstanders. Ggo’s worden ‘onnatuurlijk’ en ‘Frankenfood’ genoemd, wetenschappers ‘spelen voor God’. Afbeeldingen van aan elkaar vastgeniete helften van een peer en een appel laten ons zien wat voor een prutser de mens is in vergelijking met de natuur – maar de tegenstanders vergeten daarbij dat ook die peer en appel, net als al het andere voedsel dat je in de winkel aantreft, het resultaat zijn van menselijke en niet van natuurlijke creativiteit. De natuur maalt immers niet om ons. Toch aarzelen sommige activisten zelfs niet om te stellen dat ggo’s niet te vertrouwen zijn omdat ze niet het product zijn van natuurlijke selectie. Alsof een blind proces dat draait op massale doodslag en verspilling als criterium kan dienen voor wat goed voor ons is. Ook hiv is het resultaat van natuurlijke selectie. Begrijp me niet verkeerd: het is niet omdat iets het resultaat is van genetische modificatie, dat het daarom ook goed is. Maar een ggo is ook niet meteen slecht. Elk product dat op de markt komt, moet een strenge controle ondergaan. Een rationele controle doe je echter op basis van het eindproduct, niet op basis van de gebruikte technologie, zoals vandaag in Europa gebeurt.

  Het is niet omdat iets het resultaat is van genetische modificatie, dat het daarom ook goed is
Walging speelt eveneens een duidelijke rol in de weerstand tegen ggo’s. De bekende evolutiepsycholoog Steven Pinker omschrijft deze emotie als een ‘intuïtieve microbiologie’. Nog voor we van het bestaan van microben afwisten, rustte natuurlijke selectie ons uit met een systeem dat ons alert maakt voor en afstand doet nemen van potentiële besmettingshaarden. Walging is als het ware een eerste bescherming van en door ons lichaam tegen besmetting door ziektekiemen. Daarom zien we ook dat mensen snel en vaak walgen van zaken die hoogstwaarschijnlijk pathogenen bevatten, zoals uitwerpselen, dode lichamen en huidaandoeningen, en van dieren die zich vaak ophouden in de buurt van besmettingshaarden, zoals maden en kakkerlakken. Omdat besmetting via de mond een belangrijk risico vormt, kan ook voedsel snel walging opwekken. De emotie neemt daarbij het zekere voor het onzekere. Immers, de gevolgen van een onschuldig stukje eten te laten liggen vanuit de veronderstelling dat het besmet is, zijn doorgaans veel minder zwaar dan wanneer je besmet voedsel wél eet omdat je denkt dat het in orde is. Daarom kunnen ook ggo’s, die veilig zijn, walging uitlokken. Wellicht beschouwen mensen genetische modificatie als een besmetting van de essentie van een organisme. Dat gevoel wordt nog sterker wanneer het DNA komt van een soort die we als walgelijk beschouwen. Een aardbei gemodificeerd met DNA van ratten roept al snel afkeer op. De invloed van walging vind je terug in het feit dat mensen meer gekant zijn tegen toepassingen die bedoeld zijn voor voedsel. Ook doet de ronde dat ggo’s giftig zijn en dat ze verschrikkelijke ziektes veroorzaken. Ze ‘besmetten’ velden en voedselladingen. Op anti-ggo-afbeeldingen zie je zogenaamd gemodificeerde appelen met injectienaalden die een verdacht blauw spul bevatten (bij genetische modificatie komt er geen naald aan te pas), een aangevreten ggo-maïskolf met daarnaast een dode muis, of doodzieke kinderen die ggo-voedsel eten terwijl cynische zakenlui en wetenschappers lachend toekijken. De walging wordt hierbij moreel: niet alleen de producten, maar ook zij die er verantwoordelijk voor zijn worden walgelijk.

   

EEN WEG UIT DE IMPASSE?

Door in te spelen op onze essentialistische, teleologische en intentionele intuïties en gevoelens van walging, hebben negatieve (maar onjuiste) ideeën en voorstellingen van ggo’s zich als een lopend vuurtje weten te verspreiden. Knap gevonden van die anti-ggo-activisten, denkt u misschien. Maar het is weinig waarschijnlijk dat ze hun campagne bewust bedacht hebben op basis van kennis over de menselijke geest. Ze waren immers zelf verbaasd over het succes ervan. Veel aannemelijker is dat de activisten zelf het slachtoffer geworden zijn van hun intuïties en vervolgens hun intuïtief aantrekkelijke ideeën de wereld hebben ingestuurd, met alle gevolgen van dien.

   
Wat dan met de argumenten over multinationals, patenten, ‘superonkruid’ enzovoort? Het is toch niet allemaal te herleiden tot intuïties? Dat klopt, en het zijn belangrijke thema’s die onze aandacht verdienen. Maar geen van die argumenten is louter en alleen van toepassing op ggo’s, wat meteen de vraag oproept waar die focus op ggo’s vandaan komt. Eerder lijkt het dat mensen op zoek gaan naar argumenten om hun intuïtieve afkeer te rationaliseren, waardoor zaken waar men doorgaans nauwelijks bij stilstaat (bijvoorbeeld Apple en Samsung in het geval van multinationals) plotseling relevant worden. Mensen geven hun afkeer voor ggo’s dus niet snel op.

  Het lijkt dat mensen op zoek gaan naar argumenten om hun intuïtieve afkeer te rationaliseren 
Toch is de situatie niet helemaal hopeloos. Op lange termijn kan gericht onderwijs over genetica, veredelingsmethoden en landbouw mensen immuniseren tegen verkeerde voorstellingen van ggo’s. Op korte termijn volstaat het om ook op intuïties in te spelen. Belangrijk daarbij is om de voordelen van genetische modificatie in de verf te zetten, bijvoorbeeld dat ggo-maïs minder schimmelgif bevat, dat boeren minder moeten ploegen zodat de bodem beter bewaard blijft, en dat er tussen 1996 en 2011 zo’n 240.000 ton minder insecticiden nodig waren. Maar waarschijnlijk zal de grote doorbraak pas komen met toepassingen die voor de westerse consument rechtstreeks van pas komen. Dan pas stijgt de kans dat ggo’s uit de landbouw evenzeer alom aanvaard zullen worden als de huidige ggo-toepassingen in de medische wereld, zoals insuline, en de (voedsel)industrie, zoals kaasstremsel.

   
Stefaan Blancke
   

   
Over de auteur:
Stefaan Blancke is filosoof aan de Universiteit Gent. Hij verricht voornamelijk onderzoek naar de invloed van de geëvolueerde menselijke geest op culturele fenomenen waaronder pseudowetenschap, religie en wetenschap. Deze tekst is gebaseerd op het artikel Fatal attraction: The intuitive appeal of GMO opposition dat hij samen met Frank Van Breusegem, Geert De Jaeger, Johan Braeckman en Marc van Montagu publiceerde in het vaktijdschrift Trends of Plant Science 2005, 20 (7): 414-418.

   
     
Wil je de papieren versie van De Geus thuis ontvangen? klik hier voor meer informatie.